De planten van mijn grootmoeder

Mijn grootouders woonden midden in een dorp op een eiland voor de kust van Sicilië. Dat klinkt idyllisch en dat is het ook, ook al is de vibe van Favignana eerder Zandvoort dan Terschelling. Ze hadden een achterdeur voor dagelijks gebruik maar als we aankwamen belden we eerst aan bij De Voordeur, die voor het officiële bezoek. U Purtúne; een enorme poort met grote bruine deuren. De linker heb ik vijftien jaar geleden voor het laatst open zien gaan en de rechter klemt.

Als we eenmaal met al onze koffers door de klemmende deur waren en in de koele binnenplaats stonden was het eerste wat we zagen de grote betonnen bak, een goede anderhalve meter hoog. Om de bak heen stonden en kropen en hingen allerlei planten in potten; vanuit de bak torenden de papyrusplanten.

Papyrus is volgens mijn oma’s zeggen een moeilijke plant om in een pot te houden, de natuurlijke gesteldheid van de Favignanese bodem is 9 maanden per jaar DROGER DAN DE TONG VAN EEN ALCOHOLIST IN DE HEL en papyrus is een moerasplant. Lastig. Mijn oma was bijzonder trots op haar papyrus. Op vochtige dagen was het in die hoek net een tropisch regenwoud.

Rechts van de jungle begint de monumentale trap. Mijn vader heeft me een keer verteld waarom hij monumentaal is maar ik was klein, ik weet alleen nog dat de eerste bewoner van het huis een schat heeft gevonden in een veld. ( Ongetwijfeld was het geld daar begraven om het uit de handen van de Grieken / Phoeniciërs / Romeinen / Saracenen / Noormannen / Spanjaarden / Bourbons / Turken  te houden. Strategisch lekker liggen heeft z’n voors en z’n tegens.)

Belangrijker is dat mijn oma op elke tweede of derde trede een plant had staan. Naar boven naar de verdieping, langs de twee appartementen en weer verder naar het platte dak, de trap en de balustrades stonden helemaal vol met planten.

Rode en roze geraniums, citroengeraniums, een strijdlustige lobelia, merkwaardig fijne gerbera-achtige bloempjes met oranje blaadjes en een paars hart, munt, salie, oregano, allerlei soorten vetplanten, en stekjes van alle voornoemde planten, allemaal met een knobbelige, gekwelde uitstraling. Het zit potplanten (en oma’s) in het middellandse zeegebied ook niet mee, de zon straalt zo hard en je weet nooit zeker waar je volgende plens water vandaan komt. Dat doet wat met een wezen.

Mijn oma is vier jaar geleden gestorven. Twee jaar geleden zijn we op Favignana geweest. We logeerden niet in het grote huis, ik had het hart niet en bovendien stort het in waar je bij staat. Daarenboven liet mijn moeilijke oom Claudio ons er niet in. Hij was niet onvriendelijk en hij was heus blij me te zien, alleen waren omgangsvormen tegen die tijd niet echt meer zijn ding.

De papyrus stond nog, ietwat verpieterd maar vief genoeg. De meeste andere planten waren weg. Hier en daar stond een pot met een hardnekkige vetplant. Claudio vertelde dat hij op het punt had gestaan de meeste weg te gooien.
“Maar toen ging het weer regenen in september en kijk ze ‘s.”
“Mag ik een stekje?” vroeg ik, “van die? En die?”
“Waarom?”
“Dan heb ik een plant van oma.”
Hij haalde zijn schouders op.
“Pak maar wat je wilt. Waarom neem je niet de hele plant mee?”
“Omdat ik met het vliegtuig ben, Claudio. Hoe moet ik dat meesjouwen?”
Hij haalde weer zijn schouders op.

En toen stierf hij en dat is weer een heel ander verhaal; en op dit moment is er niemand die voor de planten van mijn oma zorgt.

Behalve ik.

IMG_1585

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s