De bovennatuur

Toen mijn vader net dood was e-mailde ik vaker over hem dan nu; en omdat Gmail is wat het is, kreeg ik dan natuurlijk aangepaste reclame langs de zijkant. Onvermijdelijk begon het rijtje elke keer weer met een aantal paragnosten. Paragnosten. Als mijn vader ergens groen en geel van ging zien (afgezien van Moslims, de zwartekousenprotestanten, de staat van de jeugd, de teloorgang van de televisie en de Hema,( nee echt)) dan waren het paragnosten.

Dat had een Bijbelse insteek en een persoonlijke, en ik heb de persoonlijke altijd het sympathiekst gevonden. Mijn vader geloofde namelijk in het bestaan van de bovennatuur. Hij was overtuigd dat het hiernamaals bestaat, en hij geloofde ook wel dat de zielen van de overledenen terug te halen zijn naar deze wereld; maar hij meende ook, vanuit de bodem van zijn privacy-minnende persoonlijkheid, dat je dat niet moest doen. Dode mensen zijn dood,  en dat zijn ze niet voor niets. Wie zijn wij om zielen lastig te vallen die bezig zijn met hun geheel eigen besognes? Laat ze toch met rust.

Toen werd het december 2004 en toen ging hij zelf dood. Ik was verdrietig maar ik had, globaal genomen, vrede met zijn dood; alleen sliep ik slecht.

Ik was bang, lezers, dat mijn vader me zou verschijnen. Echt waar. In de eerste weken van januari 2005 kon ik niet slapen van de gedachte dat hij ineens in de hoek van de kamer zou staan met zijn ingevallen wangen en priemende vinger, en me zou vertellen dat – ja, wat eigenlijk. Ik vermoed dat mijn vader overtuigd was in de hel te komen, dus het nieuws zou waarschijnlijk slecht zijn. In de nachten die Marcel niet bij mij doorbracht lag ik, ingebakerd als een grote wrap, te wachten op de verschijning. Niet leuk.

Het was vriendin B. die me mijn nachtrust terug gaf. Vriendin B. is van nature door en door rationeel en vriendin B. gelooft op geen enkele wijze in een hiernamaals of een bovennatuurlijk aspect van de werkelijkheid. Maar vriendin B. luisterde kritisch naar mijn klagen en vroeg na een tijdje:
” Zeg ‘s- je vader, had het toch niet op mensen die geesten oproepen en zo…”
” Oh, nee,” zei ik, ” hij had daar een hekel aan. In de Bijbel…”
” Ja maar,” zei B, ”  als jij er van uit gaat dat je vader nog steeds je vader is, waarom zou hij, nu hij dood is, ineens wel levende mensen lastig vallen?”
” Dat zou ook onbeleefd zijn,” zei B’s levensgezel M.
” Ja…” zei ik, maar B. was nog niet helemaal uitgedacht.
” En het is je vader, toch, daar ga je van uit – die van je houdt ; dus waarom zou hij je dan aan het schrikken willen maken? Als hij je iets wil melden dan kan hij daar toch een andere manier voor vinden?”
” Ja, maar, ” zei ik, “nee, want. Je hebt gelijk. Je hebt helemaal gelijk.”

Ik heb nooit meer wakker gelegen, wachtend op het groene pulserende licht in de hoek van de kamer. (Het scheelt dat Marcel tegenwoordig full-time naast me slaapt).

Dit is de tijd van het jaar waarin hij stierf, dus ik denk wel vaak aan mijn vader. Het amuseert me te bedenken hoe hij me zou kunnen verschijnen in zijn eigen stijl: Op klaarlichte dag, in de astrale versie van zijn mooie grijze pak, rammelend met de vier rozenkransen die hem na werden geworpen in het graf, en onder begeleiding van Gregoriaanse zangen. Voor mijn bureau in de winkel. En me dan complimenteren met het feit dat we de Septuagint in huis hebben, ook al is hij niet meer leverbaar bij de uitgever.

Dat is mijn vader, maar dan echt.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s