Zo/Pro Tamar, Allert en Rutger get down to the afwas

“Gut,” zei ik, onder de indruk, “zijn jullie feestjes altijd zo ranzig?”
“De mijne niet,” zei Rutger.
Allert draaide zich met een ruk om en keek hem vuil aan maar zei niks. Ik waste door, twijfelde even, maar ontdekte dat mijn nieuwsgierigheid groter was dan mijn discretie.
“Wat was er nou, gisteravond?” vroeg ik.
“Er was een feest Tam,” probeerde Allert, maar ik had nog steeds een kater en weinig geduld. Ik blies de koffieprut uit het zeefje van de percolator en zei:
“Nee, met jullie. Jullie stonden zo te schreeuwen.”
Allert stond te schreeuwen,” zei Rutger, zijn blik op het bierglas in zijn hand en de theedoek er omheen.
“Dat is omdat Rutger zich met mijn zaken bemoeide,” zei Allert. Hij legde een lelijke houten schaal met iets te veel kracht op tafel.
“Oh?” suggereerde ik.
Rutger bleef bij het druiprek staan en bekeek me van opzij.
“Wat gaat jou d-dat aan?”
“Niks,” gaf ik toe, “maar het viel nogal op, jullie stonden midden in de keuken en zo.”
Ik pakte een pan waar de resten van een rijstmaaltijd aan kleefden.
“Dit ga ik niet afwassen, dit moet eerst weken.”
Allert pakte de pan afwezig aan. Rutger bleef me strak en fronsend aankijken. Allert dook onverwachts op aan mijn linkerkant en knalde  een stapel smerige dipkommetjes  op het aanrecht.
“Okee, okee- ik heb al mijn boeken weggegeven gisteravond, aan een paar vrienden van me.”
“Hè?”
Allert stond stevig op zijn benen, zijn armen rustig langs zijn lijf. Hij leek een meter of drie lang en hij vulde de keuken met zijn frons.
“Jeetje,” zei ik.
“Ik moest weer ’s opschonen,” zei hij.
Rutger had zijn theedoek over zijn schouder geslagen en draaide bedaard een sigaret.
“Hij heeft niet al zijn boeken weggegeven,” zei hij tegen mij, zijn blik op de afwas, “sommige mensen wilden ze niet aannemen. Die boeken gaat hij vandaag naar de kringloopwinkel brengen, n-niet naar de Slegte, want hij wil er geen-”
“Rutger, hou je mond,” zei Allert, “je hebt geen idee waar ik mee bezig ben.”
“Dat is waar,” zei Rutger. Hij haalde een aansteker tevoorschijn en stak zijn sigaret aan.
“Hee droog ’s door,” zei ik, ik geneerde me dood en ik wist niet wat te zeggen dus vooruit dan maar, het eerste wat in me opkwam,  “het afdruiprek is vol.”
“Ik rook deze sigaret even op.”
“Welja,” bromde ik, maar ik deed mijn handschoenen uit en schonk mezelf nog een kop lauwe thee in. Rutger zat in de vensterbank bij het open raam, hij blies zijn rook naar buiten. Het walmde net zo snel weer naar binnen, en ik wilde diep inademen maar dat deed ik niet. Hij knipperde niet eens met zijn ogen. Allert hurkte met zijn rug naar me toe en ruimde met woedende gebaren een keukenkastje in.
Wat doe ik hier, dacht ik. Het was warmer geworden in de keuken maar de sfeer was knus als kouwe koffie.
“Zullen we weer doorgaan?” vroeg Rutger, bijna beleefd.
Eigenlijk wilde ik die frons van zijn gezicht afslaan met de vieze rijstpan, maar ik maakte een nieuw sopje. Ik liet wat bestek in het water vallen. Een aantal glazen verschoven met dreigende tinkels op het volle afdruiprek. Mijn handen plonsden het water in en uit.
Achter me slopen Allert en Rutger als katers om elkaar heen. Begeleid door Shostakovich (hij werd inderdaad steeds onrustiger) liep Allert links om de tafel en Rutger rechts, ze keken elkaar niet aan en hoefden elkaar niet eens te zien.
Allert gaf me een stapel bierglazen aan en glimlachte naar me. Het was een moeizame glimlach en hij eindigde bij zijn mondhoeken. Toen begon de dans achter me opnieuw. Ik voelde mijn handen rimpelen onder het rubber, ik waste stug door en ik vroeg me af of dit iets van mannen was, dit gemok, of iets van broers, of helemaal iets anders. Zo erg was het tenslotte niet, Allert mocht zijn bezittingen weggeven aan de armen, en desnoods aan de rijken, en gaan leven als Johannes de Doper in de woestijn, wat kon het Rutger schelen? Allert leek me een grote jongen die wist wat hij deed.
Ontbijtborden, een koekenpan, wat ouderwetse rookglazen wijnglazen. Onder het gebulder uit de radio hoorde ik de stilte tastbaar als natte watten. Wat deed ik hier!
Nog een paar schalen met chipsresten, een paar jeneverglaasjes die achter de stereo vandaan kwamen- ik waste een laatste opscheplepel af en trok de rubberen handschoenen zeer beslist uit.
“Ik moet naar huis,” zei ik, “douchen.”
Rutger was alweer in de vensterbank gaan zitten met een peuk. Hij knikte nors naar me. Ik knikte net zo nors weer terug maar ik wierp toch nog een verlangende blik op zijn peuk voor ik wegging. Hij zag me kijken, de zak.
Allert liep met me mee de gang op, een dietzensnijder nog in de hand.
“Dank je voor het afwassen,” zei hij.
“Dank je voor het logeren,” zei ik, en hij lachte naar me en nu klaarde zijn hele gezicht op.
“Michiel en ik gaan volgende week klussen in mijn kamer, het behang afscheuren en alles opnieuw verven en zo- heb je zin om te komen helpen?”
Ik keek hem wat verontrust aan en hij zei:
“Rutger is er niet,” en toen moesten we allebei lachen.
“Okee,” zei ik, en we spraken zondag af, half twaalf, niet te vroeg? We stonden al half in de deuropening en we spraken nogmaals af, half twaalf. Buiten was de lucht koud en schoon en ik vond het leuk om te helpen klussen volgende week, en ik durfde niet te vragen hoe het echt zat met die boeken, en waarom ik er geen van hem gekregen had, dus ik zei nog eens dag, en ik geloof dat hij me wilde zoenen maar ik schoof weg.
Dahaaag! Ik wilde naar huis,  douchen, en dan naar mijn eigen warme kamer en geen fronsende mannen meer. Naar huis.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s