Papa Olifant is een sexist.
25/10/2010
Omdat ik een sucker ben voor tradities, of ze nou echt zijn of voorgenomen, ben ik in de afgelopen Kinderboekenweek met Naomi naar de boekhandel gegaan. ( Bijkomende jolijt: in de Kleine Wereld van Naomi gaan ouders altijd Boeken Verkopen. En nu ging zij eens Boeken Kopen met mama. Ze was zeer onder de indruk.) Prentenboeken, daar moeten we het momenteel van hebben; boeken met veel kleur, een minimaal verhaal, en een liefdevolle clou. Tijgertje valt in slaap in de armen van Mama Tijger, de taart wordt gered, Muis loutert zijn woede door een half uurtje stokstijfstilstaan; dat werk. Dat soort boeken zijn er in alle soorten en maten,varierend van prachtig mooi tot liefdeloos slecht, en van zeer sympathiek tot ronduit vervelend. Je hebt ook nog de incongruente variant, waarbij het verhaal tja-tja is maar de tekeningen fantastisch, of andersom. Dat maakt de keuze voor een mooi boek best lastig, vooral voor iemand van twee jaar oud; als ik Naomi was dan zou ik in een boekhandel op zoek gaan naar iets dat ik al kende. Naomi, die wel vaker bewezen heeft dat ze Gekke Henkie niet is, deed precies dat. Ze pakte een boek van een stapel, giechelde “Olifanten”, en duwde het ferm in mijn hand.
Daar was ik al bang voor. De Wiebelbillenboogie, van Guido Van Genechten. Diepe zucht.
De Wiebelbillenboogie is een gezellig boek, geschilderd in de frisse, ronde vormen die we van Van Genechten gewend zijn. Het is een genoegen om naar al die lieve dartelende ronde blote olifantenbilletjes te kijken. Met name het kleine olifantenbroertje is om op te vreten in zijn bolle circa-eenjarige olifantenbaby-heid. Enfin, op de tekeningen en de uitstraling van dit boekje heb ik niks aan te merken, echt niet. Alleen als ik het verhaal lees dan gaan mijn kieuwen rechtop staan. Dat gaat namelijk somethin’ like this:
Mama Olifant gaat in haar mantelpak op pad. Papa Olifant en de kindje-olifantjes (zoals Naomi hen noemt) blijven in hun pyjama thuis. Papa zorgt voor de kindje-olifantjes zoals hij alleen kan. Hij gooit hen in de lucht, ze spelen Zwartvoet-indianen door zich te verkleden en hun voeten zwart te verven, ze roosteren bananen (op dit moment in het verhaal begon ik te vermoeden dat ze dat midden in de huiskamer doen), en daarna gaan ze met z’n drieen in bad. Papa spuit de kindje-olifantjes en de hele badkamer nat. Dan dansen ze gedrieën de Wiebelbillenboogie en hebben ze de grootste pret. Maar zie, daar komt mama plots thuis! Ze zegt “O nee, wat een bende!”. Vermoeid zijgt ze in een stoel neer, waarna man en kroost de Wiebelbillenboogie voor haar dansen; mama Olifant moet ook erg hard lachen en alles is weer goed.
Wat doet mij hier zuchten, vrienden? (Ik zou er bijna een prijsvraag van maken.) Onder andere de manier waarop papa neer wordt gezet als de gezellige pipo die met zijn kinderen dolt zonder na te denken over vermoeiende zaken als opruimen. Dat is tot daar aan toe; maar het is overduidelijk dat mama vooral oog heeft voor de bende, ergo: een dag met haar zou er héél anders uitzien (lees: saaier). Voor de duidelijkheid: als er hier in huis met nattigheid of verf gespeeld wordt dan komt dat uit de koker van moeders, want vaders heeft op dat gebied niet zoveel verbeelding. En als mama weg is (voor haar werk of zo) en daarna afgepeigerd thuis komt, dan heeft papa best leuke dingen met Naomi gedaan, maar hij maakt er zelden zo’n infantiele bende van als Papa Olifant in dit boek. Ik wil maar zeggen, elke individuele ouder houdt er zijn eigen voorkeuren op na, er zijn saaie mama’s en blije papa’s en andersom in allerlei mengsels soorten maten en varianten. Dit boek werkt echter vanuit het cliché dat van papa alles mag want papa is eigenlijk ook een half kind. En dat, vrienden, vind ik ongeëmancipeerd. Het moet mogelijk zijn om een boek te maken waarin een ouder en een stel kinderen grote pret hebben, zonder dat ik me onbehaaglijk begin te voelen over wie de schoensmeer straks uit het hoogpolig tapijt van huize Olifant mag gaan schrapen.
De Wiebelbillenboogie is Prentenboek van het jaar 2010. Naomi vindt het een geweldig boekje en het liedje van de Wiebelbillenboogie (op de wijs van Blue Suede Shoes) is een grote hit en het olifanten-vingerpopje dat bij het boek zat ook, en ik ga de bevrijdingstheologie niet prediken tegen klein meisje met staartjes in roze leggings en een paars jurkje. Maar de boodschap van dit boek ergert me. En nu weten jullie ook waarom.
HUBERT LAMPO TE KOOP
12/06/2010
Hee! Hallo!! Internaut die vandaag mijn blog gevonden hebt met bovenstaande zoekwoorden! Mijn e-mailadres staat in “About”; mail me! Ik heb namelijk Hubert Lampo te koop! Veel Hubert Lampo! Voor weinig!
Morilje & Fléau
19/03/2010
In mijn eeuwige strijd tegen De Zooi heb ik in januari van dit jaar iets nieuws verzonnen, misschien geïnspireerd door mijn dagelijkse werk. De nederlandse site die heel gevat www.boekwinkeltjes.nl heet, biedt namelijk precies dat: een virtueel boekwinkeltje, een soort gespecialiseerde www.Marktplaats.nl. Ik heb mij over een aantal barrières heengezet en heb daar een dertigtal boeken op gestald. Waarom niet op Marktplaats? Ik weet het niet precies. (Snobisme comes to mind.) Waarschijnlijk vooral omdat ik hier niet al te veel moeite in wil stoppen, het moet wel leuk blijven.
Intussen wil ik wel van deze boeken af, omdat ik ze gewoon niet meer wil hebben, of omdat ze gesneuveld zijn bij mijn toepassing van de eén-in-eén-uit-regel, of omdat ik een mooiere uitgave wil kopen (de eén-uit-eén-in-regel, gni), of omdat vriendin A. of vriend C. een boek kwijt wilde. Ten tweede heb ik besloten om deze boeken op deze manier weg te doen, omdat dit geen troep is, maar ook geen echt mooie boeken. (Ik doel hier natuurlijk niet op de inhoud die interessant is en in een enkel geval poignant, maar op de uitvoering.) Echte troep breng ik liever meteen naar de Kringloopwinkel, waar iemand er twee kwartjes voor zal geven en ik er niet meer over na hoef te denken. Redelijke boeken die er redelijk uitzien, maar waar er zoveel van in omloop zijn dat de Slegte ze ook niet meer wil, daar is op zich nog wel een euro of drie, vier voor te krijgen, bedacht ik. Ik noem maar wat: Yvonne Kroonenberg, Het zit op de bank en het zapt; Aart van der Leeuw, de Kleine Rudolf, M. Vasalis, Parken en Woestijnen, M. Dorfman, Fit en gezond met Pooh en zijn Vrienden; het slaat commercieël genomen geen deuk in een pakje boter. Maar aangezien mijn oorspronkelijke verwachting was dat ik ze gratis weg zou geven, is elke euro die ik er voor kan krijgen winst. (Of in elk geval omzet.)
Maar, vraagt Marcel mij met een vieze grijns, in welk opzicht helpt dit in de strijd tegen De Zooi? Boeken verplaatsen naar een doos op de piano en wachten tot ik ze kwijtraak is niet echt opruimen, wel? Nee, dat is waar. Maar tegen de tijd dat ik dat bedacht had was de hitte van het experiment al over me gekomen. Om mezelf gerust te stellen (en Marcels grijns van zijn gezicht te timmeren) heb ik mezelf beloofd dat ik in januari van komend jaar minstens 15 boeken verkocht moet hebben, anders sluit ik de winkel en breng ik ze alsnog naar Terre des Hommes. Of dat verstandig is, betwijfel ik. Het antiquariaat vereist namelijk afgezien van kennis, fingerspitzengefühl en eigen geld, ook geduld. Veel geduld. Omdat de boekverkoper gekke Henkie niet is brengt hij een catalogus uit en zet hij zijn boeken op Internet en doet hij mailings en belt hij specifieke klanten vanwege een specifiek boek, hij gaat eens naar een beurs of een markt, en hij zet zijn boeken nog maar een keer op Internet en later nog een keer, en dan heeft hij ze in zes of zeven etalages gezet waarvan twee fysiek; en vanaf dat moment is het actief afwachten. Voor mijn bijna-trash geldt dat net zozeer als voor de in marokijnleer gebonden set Brieven van Casanova in de zeer gelimiteerde ongedateerde uitgave met de curious illustrations en de Bookplate of the 14th Marquess of Thingummy-on-the-Marsh (de viespeuk).
Dus. Hoe groot is de kans dat ik mijn doel bereik, en in januari 2011 15 boeken verkocht heb?
Ik heb een abonnement voor 50 boeken, en in januari 2010 heb ik er 30 op het Net gezet. Het is nu maart en ik heb er vier verkocht. Dat wil zeggen dat ik er nog 11 moet verkopen; gesteld dat eén per maand zo’n beetje het gemiddelde blijft, moet dat op zich wel lukken.
Anderzijds kwam mij een paar weken geleden ter ore dat van het aanbod van boekwinkeltjes.nl per jaar 10% wordt verkocht, en dat 20% van het aanbod van de individuele aanbieders uiteindelijk een keer verkocht wordt; wat betekent dat ik al meer dan mijn quotum verkocht heb en dat ik er niet op moet rekenen meer dan zes units te verkopen, in elk geval met mijn huidige voorraad. En als ik er daadwerkelijk 15 verkoop, heb ik er in januari 2011 dus nog minstens 15 in de Ether staan (mijn eén-in-eén-uit-stapel wordt waarschijnlijk niet kleiner). Of ik daar dan nog een jaar aan wil spenderen weet ik nog niet; dit was tenslotte begonnen als een opruimende maatregel voordat ik begon te kerken in de tempel van Mammon .
De vraag die hier over de wateren zweeft is Is het de moeite wel? Ik stel het antwoord even uit tot januari 2011. Op dit moment ga ik elke keer dat iemand een van mijn pockets wil hebben gloeien van pret: niet omdat ik niet gewend ben om boeken te verkopen, maar omdat ik niet gewend ben dit soort boeken te verkopen. In tegenstelling tot op mijn werk ga ik geen mailings en acquisitie en Internet-gremia en andere commerciële toestanden plegen; het moet wel leuk blijven. (Disclaimer: op mijn werk vind ik het waanzinnig leuk, maar na zessen ga ik liever met Naomi spelen en bloggen. So sue me.) In augustus volgt de update van deze post, en in januari 2011 de definitieve uitkomst van het experiment. Als het goed is ben ik dan € 65,- rijker; als het slecht is dan krijgt de Terre des Hommes een heleboel oud papier. Eh, ik bedoel natuurlijk: redelijke boeken die er redelijk uitzien maar waar er meer van zijn gedrukt dan het karma van de uitgever kan verdragen.
Zen & de kunst van het creatieve schrijven
13/03/2010
Ik weet dat er hand- en cursusboeken Schrijven Voor Beginners zijn op christelijke grondslag, en mijn haar zou waarschijnlijk overeind gaan staan als ik er een onder ogen kreeg. Een schrijfboek dat heel erg getuigt van de betrokkenheid van de schrijfster bij het Zen-boeddhisme kan daarentegen wel, en dat is eigenlijk vreemd. Zou het komen omdat Zen, zoals wij het ons voorstellen, vrij is van de zalvende ondertoon die we ons voorstellen bij een christelijk schrijfboek? Het moet zoiets zijn. Enfin, ik heb eén keer een schrijfboek gelezen van de schrijfster Anne Lamott, die zegt born again te zijn, maar zij heeft dreadlocks en ze gelooft in abortus tot het veertigste levensjaar en euthanasie erna, dus zij telt niet mee. En het ene Zen-schrijfboek dat ik ken, daar heb ik behoorlijk veel van geleerd, dus daar ga ik het nu over hebben.
Het is namelijk een klassieker, Writing Down the Bones van Natalie Goldberg. In Nederland is het geen enorme kraker geweest meen ik, hoewel het wel leverbaar is, onder de titel “Schrijven uit je hart”, werkelijk. Wat was er mis met de oorspronkelijke titel: ” Zen en de kunst van het creatieve schrijven” ? In het vaderland van de Boeken Over Schrijven, de VS, kun je echter niet om dit boek heen. Het is verschenen in 1986, wat blijkbaar het moment was dat amateur-schrijvers onder hun steen vandaan kwamen om hun hobby trots te verkondigen, en het heeft sindsdien een ware triomftocht gemaakt. Ik heb de titel voor het eerst gelezen in een boek over Boeddhisme en alcoholisme (#never a dull moment in het boekenvak) en daarna bleef hij rondzingen, hij dook hier op en hij dook daar op en op een mooie dag heb ik het maar besteld.
Het gaat over schrijven. Goldberg introduceert het idee van de writing practice, schrijven als een manier van leven (the writing life waar amerikanen zo van geporteerd zijn) en als een (dagelijkse) oefening. Als een afspraak met jezelf. Dus, en daar komt de Zen om de hoek kijken, niet als een manier om een Werk te produceren, in elk geval niet in aanvang. Zet je neer, ga schrijven, zie wat er gebeurt. Goldberg benadert writing practice als meditatie, dat wil zeggen dat ze dezelfde wenken geeft: ga zitten, hou niet op wat je ook denkt of voelt, blijf schrijven zolang als je je had voorgenomen of totdat je iets belangrijks hebt gezegd.
Dit boek werkt, voor mij (en voor miljoenen Amerikaanse zondagsschrijvers). Ik heb er in 2006 tips en verhalen uitgepikt die ik nu nog steeds gebruik, en dat is wat, voor iemand met de attention span van een jonge hamster. Het is een mooi mengsel van vage spirituele shit en handige tips, en Goldman blijft Amerikaans dus in de handige tips blijft ze spiritueel en in de vage shit blijft ze praktisch. Ik was toen ik dit boek kocht erg bezig met uitzoeken welke plaats religie & spiritualiteit in mijn leven heeft, en de insteek van dit boek sprak me erg aan. Het idee dat de discipline van het dagelijkse schrijven vergelijkbaar is met die van meditatie of gebed, dat ik van schrijven een spirituele praktijk kon maken, en dat schrijven me daar zou kunnen brengen waar gebed en meditatie en andere conventionele religieuze praktijken me nooit hadden gebracht was erg aantrekkelijk. Bovendien slaat Goldman daar waar het om vage spirituele shit gaat precies de goede toon aan van vertwijfeling en geloof tegen de klippen op die de identificatie ten goede komt.
Ten tweede zijn de handige tips erg handig. Eentje die mij recht naar mijn hart gaat is de volgende: probeer eens een ander papierformaat. (In deze digitale tijden zou het waarschijnlijk moeten zijn: probeer uberhaupt een papierformaat uit.) Goed. Jij, amateurschrijver onder de Rallobloglezers, kun je je die ene keer nog herinneren dat je een Erg Briljant Idee had, en het enige papier dat je kon vinden waren gelinieerde blaadjes uit een schriftje, die in de lengte waren doorgeknipt? of blanco A-4-vellen? Of, oh gruwel, behangpapier? En hoe intens incomfortabel dat was omdat jij altijd in A-5 notitieblokjes schreef, het liefst kringloop-papier?? Tenminste, als het om gedichten ging??? En hoe klote dat was, om over te schakelen op een ander formaat????
Heb ik mijn punt gemaakt????? Dit is een heel goede tip, zoals jelui begrijpt. Het boek staat er vol mee. Ga in een café schrijven; ga thuis schrijven. Ga schrijven over je eerste seksuele ervaring, ga schrijven over je ouders. Schrijf elke dag op hetzelfde tijdstip vijf minuten, schrijf elke dag op een verschillende tijd een uur. Zet hiertoe een wekker. Simpele dingen, mensen, maar kom er zelf eens op. Natuurlijk heb ik niet alle tips uitgeprobeerd, maar het is dan ook niet bedoeld als een curus. Het is net een kookboek; je pikt het recept eruit dat je zelf het interessantst vindt, ofwel omdat het je lekker lijkt, ofwel omdat je denkt “Nee, man, dit kan gewoon niet!” en de rest kun je rustig laten liggen voor een volgende keer.
Jaaaa dit is het moment om te gaan vertellen Wat Er Minder Aan Is. Nou, er is minder aan dat Goldberg schrijft vanuit de basis. Dat klinkt goed, en dat is het ook, maar stel nou eens dat je (dat wil zeggen ik) op een bepaald moment beslist dat je (dat wil zeggen ik) een keer een boek wilt schrijven. Of , stel, misschien niet meteen een heel boek, maar je wilt eens een eindprodukt maken, iets dat af is, iets waar enige redactie aan te pas gekomen is. Daar is dit boek niet voor. Ze beschrijft de brainstorm-fase tot in de details; maar je krijgt maar weinig aanwijzingen over hoe je je produkt af kunt maken. (Enkele jaren na het uitkomen van Writing down the Bones heeft Goldberg nog twee boeken gepubliceerd: Wild Mind en Thunder and Lightning. Daar schijnt het allemaal in te staan; hoe je redactie op je werk kunt plegen door a Great Warrior te zijn, hoe je de editor en de creator vreedzaam laat samenwerken- ze is wel een Amerikaanse boeddhist, dan krijg je dit soort terminologie. Maar ik heb slechts recentelijk gehoord over deze boeken, en ik kan er dan ook niks over zeggen.)
Dit boek is een aanrader voor de zondagsschrijver die een zetje nodig heeft; maar ook voor de persoon die geinteresseerd is in vage spirituele shit met een omweg. Goldbergs opmerkingen over schrijven zijn net zo doortastend als haar opmerkingen over een van dag tot dag geleefde spirtualiteit.
Fire & Norton
25/02/2010
Omdat ik niet hoop iets te missen, maar wel een grazer ben, intellueel gesproken, ben ik een herlezer. Van herlezen en om boeken heenlezen komen mooie dingen, en mijn weg naar een mooi ding, via een leuk ding, daar gaat deze post over. Laten we met het leuke ding beginnen. Dat is een kinderboek, toevallig eén waar ik totaal niet ambigu tegenover sta. Het heet Fire and Hemlock, en is een van de inhoudelijk meer obscure werken van Diana Wynne Jones. Het gaat over magie, in een zeer alledaagse setting, en dat maakt het moeilijk te beschrijven (en in sommige gevallen te bevatten) wat er gebeurt. Toch is dit een page-turner; dat is knap.
Het verhaal: als Polly tien jaar oud is komt ze per abuis terecht op een sjieke begrafenis. Ze wordt thuisgebracht door de vriendelijke Mr Lynn. Ze worden vrienden, Mr Lynn blijft contact met Polly zoeken, zij schrijft hem brieven met verhalen en hij zal haar jarenlang boeken en kaarten en cassettebandjes met klassieke muziek sturen. Onderwijl probeert Laurel, de rijke, uncanny ex-vrouw van Mr Lynn te voorkomen dat Polly en Mr Lynn al te vriendschappelijk met elkaar worden. Polly kan zich niet voorstellen waarom en heeft het sterke gevoel dat het belangrijk is dat ze met Mr Lynn (of Tom, zoals ze hem intussen probeert te noemen) blijft omgaan. Totdat – ja wat? Vijf jaar later zit Polly op haar bed te lezen, en probeert ze zich te herinneren wat ze in godsnaam gedaan kan hebben waardoor Mr Lynn uit haar leven is verdwenen. Als ze er eenmaal achterkomt zijn de rapen pas echt gaar; nobody messes with the Faery Queen. Namelijk.
Vanaf het begin is er een dromerige onderlaag in het verhaal, een gevoel van tover in de buitengewoon alledaagse dingen die Polly meemaakt, maar dat gevoel wordt goed gedoseerd waardoor je vooral een beeld krijgt van het gewone puberleven met vriendinnen / vriendjes / Toestanden Met Ouders, jelui kent het wel. Op de voorgrond de puberteit van Polly, op de achtergrond de strijd om zelfstandigheid en zelfverwerkelijking van Mr Lynn, en het geheel wordt beschreven met compassie en vooral realiteitszin. En dan zijn er nog de luimen van de bovennatuur waar tussendoor genavigeerd moet worden.
Een van de belangrijkste elementen in het verhaal is Hunsdon House, het grote huis waar het allemaal begint. Als Polly er voor het eerst is, lijkt er niks aan de hand, gewoon een sjiek Engels huis waar een stinkend rijke familie in woont. De oma van Polly echter, die al haar hele levenin de schaduw van Hunsdon House woont heeft het consequent over That House, en heeft niet veel op met de bewoners ervan. (Oma’s Met Een Mening; in een boek als dit moet je daar scherp op letten.) Een groot huis waar een gezelschap in onduidelijke activiteiten verwikkeld is, met een grote tuin en een leeg zwembad tussen de rozenstruiken, dat in het zonlicht hints geeft van Geheimen en Mogelijkheden. Dat zwembad, daar is wat mee; het lijkt gevuld als je niet kijkt, en als je wel kijkt- wat zie je dan eigenlijk? Het is onaangenaam. Het is sinister. En het behoort toe aan Laurel, dus het is niet best.
Tot zover een intelligent boek voor oudere kinderen, ik vermoed dat 12 à 13 wel een mooie leeftijd is om dit voor het eerst te lezen. Maar. Ralloblog wijdt niet zomaar een post aan een leuk kinderboek. Dit is namelijk een boek waar je wat aan overhoudt. Het kan zijn dat je achterblijft met een enorme wolk vraagtekens om je hoofd; maar ook met een beter inzicht in de Engelse maatschappij, of dorst naar meer boeken van ms Jones, of het vaste voornemen om nooit te worden zoals de ouders van Polly, of een imposante leeslijst (wat mr Lynn Polly toestuurt is namelijk niet mals: een dwarsdoorsnede van Engelse kwaliteits-fantasy van de twintigste eeuw, plus de abridged Golden Bough en de Drie Musketiers, ga er maar aan staan. En allemaal functioneel!). Maar wat ik heb overgehouden aan dit boek is iets heel anders, namelijk een hele verse kijk op een werk dat niet letterlijk in Fire and Hemlock wordt genoemd maar dat het wel doorwasemd. Lees dit.
There they where, dignified, invisible,
Moving without pressure, over the dead leaves,
In the autumn heat, throught the vibrant air,
And the bird called, in response to
The unheard music hidden in the shrubbery,
And the unseen eyebeam crosses, for the roses
Had the look of flowers that are looked at.
There they were as our guests, accepted and accepting,
So we moved, and they, in a formal pattern,
Along the empty alley, into the box circle,
To look down into the drained pool.
Dry the pool, dry concrete, brown edged,
And the pool was filled with water out of sunlight,
And the lotos rose, quietly, quietly,
And the surface glittered out of heart of light,
And they where behind us, reflected in the pool.
Then the cloud passed and the pool was empty.
Toen ik dit voor het eerst las had ik kippenvel. Knappe jongen die me prima vista kippenvel bezorgt met een brok poezie, maar deze dichter is het gelukt. Het is een verhaal, dat is duidelijk, maar er is meer, spijt en sociale verplichtingen en iets scherps, en vlak voordat dit fragment begint heeft een vogel gesproken, en ik rechtte de rug en las door. Ik begreep er de eerste keer geen ruk van dus ik legde het weg, maar ik pakte het ook weer op, en nog eens. En in de tussentijd had ik Fire and Hemlock nog een keer gelezen en nou wilde ik echt weten waar het over ging, dus ik begon een beetje te spitten en ik internette me tegen dit essay van Diana Wynne Jones aan. (Ga je het echt lezen? Echt? Okee. Tip: het leest fijner als je het uitprint. En er staan spoilers in.) Nou is dat hele Fire and Hemlock veel ingewikkelder dan ik hier heb kunnen beschrijven, en ik heb het hier dus maar gelaten bij een behapbare portie mooi- en leukheid; maar stel je eens voor. Een kinderboek, okee, een boek voor oudere kinderen, maar toch voor mensen van onder de twintig, dat fokking gebaseerd is op Four Quartets van T.S. Eliot, want daar komt bovenstaand fragment uit. Stel je voor. Dat is toch geweldig? Het verklaart het kippenvel bij het lezen van beschrijvingen van Hunsdon House, en het verklaart het kippenvel bij het lezen van Burnt Norton (het eerste deel van Four Quartets) en het doet me in dankbaarheid verzuchten: What were you thinking, ms Jones?
Dit, vrienden, was de weg van leuk naar mooi die ik heb afgelegd met Fire and Hemlock. Kinderboek-poëzie-essay-hele nieuwe kijk op kinderboek-hele nieuwe kijk op poëzie. Is literatuur niet een heerlijk ding?
Indikken en afknijpen
03/02/2010
In april 2009 heb ik op de besloten Bontekoe.ning ( beter bekend als de Koeclub) een blogpost geschreven over Het Verhaal waar ik intussen al tien jaar mee bezig ben, en de contorsies die dat verhaal en ik zoal hebben gemaakt. Gedicht wordt verhaal, verhaal dijt uit en krimpt dan weer, en wordt vervolgens bijna volledig geamputeerd waarna er uit de ene flashback een heel nieuw verhaal ontstaat. Gekwelde mensen die gaandeweg te rusten zijn gelegd, bizarre situaties die helaas moesten kennismaken met de delete-knop (wel eens geprobeerd om met droge ogen iemand van het dak van het Ziekenhuis-nu-studentenhuis aan de Hooigracht te laten springen?) en de hoeveelheden tijd die ik aan allerlei doodlopende wegen besteedde voordat ik de stekker eruittrok en maar weer een avond ging zitten simmen op de bank met Harry Potter -
Ik geloof dat ik nu op zou moeten schrijven dat ik er niet meer aan wil denken. Soms klopt dat. Op pre-menstruele dagen (en anders wel op post-menstruele) wens ik alleen maar te zien wat voor een zooitje onaffe shit er overschiet van mijn oprechte, maar ongefocuste literaire ambitie. Aan de andere kant ben ik over het algemeen een redelijk goedgemutst persoon die niet al te veel last heeft van menstruele ongein, en op een dag als vandaag, als het zulk helder weer is en er zit wat vorst in de lucht, wat het zicht zeer bevorderd, op een mooie dag als vandaag dus, zie ik de lol wel in van tien jaar pielen aan een verhaal. Op een dag als vandaag wil ik graag denken aan wat ik in m’n werk heb gestopt, nog los van wat eruit komt.
[Ik las hier even een pauze in voor degenen die Echt Helemaal Niks Hebben met Vage Spirituele Shit. Kijk hier maar even naar terwijl ik orakelend kakel over Hogere Dingen.]
Door de jaren heen ben ik dat geschrijf steeds minder gaan zien als iets wat groots & meeslepend moet of anders helemaal niet. Ik zie het als mijn practice; yogi’s yoga-en, zangers doen inzingoefeningen, en ik schrijf. Ik was al onderweg naar zo’n interpretatie maar toen las ik het boek van Nathalie Goldman, Writing Down the Bones, en toen was het zo ver. Ik had een nieuwe religie, of eigenlijk een discipline, in de religieuze zin.
[Kom maar weer terug!]
De reden dat ik hierover schrijf is mijn goede voornemen over het ein-de-lijk afmaken van een aantal verhalen. Ik besefte laatst ineens dat dat voornemen niet helemaal uit de lucht komt vallen. Ik heb in 2009 namelijk ein-de-lijk een aantal dingen afgemaakt, en ze zien er helemaal niet meer uit zoals ze ooit begonnen zijn. Ik had het kunnen weten, na negen jaar pielen aan een verhaal dat nog steeds niet af is; maar de ervaring slaat je graag voor het hoofd met een hamer die zo enorm is dat je hem niet eens aan ziet komen. Waarlijk, ik heb ooit, in een vlaag van adoratie voor Christopher Logue‘s Ilias-bewerking, een complete gedichtencyclus over Medea gepland, echt met een spanningsboog en verschillende oogpunten en allerlei personages die in de ik-vorm hun roerselen uitroerselden op een klassieke, maar toch heel moderne wijze- Die hele kolkende massa heeft uiteindelijk (maar god weet hoe definitief) zijn beslag gevonden in een verhaal van 700 woorden met circa vier regels dialoog en bijna geen actie. En de bewerking van het Danaïden-verhaal dat ik in gedachten had, compleet met regieaanwijzingen & volledige planning van de video-achtergrond (natte bruidsjurken, gevlekte schoenen en roestige olievaten) is uiteindelijk teruggebracht tot anderhalf handgeschreven A4; de scène waar ik mee begonnen was.
Wat vertelt dit ons, Socrates? Het vertelt hoe ik geleerd heb om beter te luisteren naar wat ik schrijf. Als een mooi klein verhaal zo mooi is, en zo klein; waarom zou ik haar stem negeren en er gelijk maar een roman van proberen te brouwen? Tegen de stroop inroeien is vermoeiend, en de persoonlijkheid van een verhaal ontkennen is beledigend voor verhaal en verteller. En het ergste is dat ik, tijdens het kloten en pielen, ergens op een heel erg basaal niveau wel wist wat ik aan het doen was. Dat brengt me bij mijn sub-voornemen: ik zal de rest van mijn schrijvende leven beter luisteren naar mijn lichaam, Elizabeth George indachtig: your body tells you all you need to know.
Mijn verhaal, dat ene waar ik negen jaar geleden mee begon, is dat dan eindelijk af? Nou, nee, hoewel ik een idee heb wat het wel af zou kunnen maken: indikken wat pit nodig heeft, en afknijpen wat al te lang aan het doorlopen is. Maar het is okee, het komt goed. Als het niet afkomt dan heb ik weer stof voor de komende tien jaar. Het houdt me van de straat en uit de kroeg, en (Jomanda-alert!) met mijn voeten stevig op mijn hoogspersoonlijke spirituele pad. Shanti shanti shanti, zou T.S. Eliot zeggen (en anders Madonna wel).
Waar is Rallo mee bezig? Wat valt haar op aan de wereld? Heeft ze iets gelezen of meegemaakt waar de stoom van uit haar oren kwam? Heeft Naomi iets geniaals gedaan, maar niet zo geniaal dat er een heel blog aan hoeft te worden gewijd? Lees het allemaal in Duiven in het Nieuws!
¶ Vriend D. zit in Web 2.0, wat wederzijdse flow van internet-gebruiker naar internet-maker en viceversa behelst (onder andere); broer M. zit in de usability, wat betekent dat hij zijn stinkende best doet om op een site waar dagelijks vele gefrustreerde (en ongezonde) mensen met vragen komen, door een zo efficiënt mogelijke en gebruikersvriendelijke structuur en lay-out, de frustratie (en daarop volgende ongezondheid) tot een miniem peil te beperken. Allemaal goed karma.
Merkwaardig genoeg zorgen de bezigheden van deze mannen niet dat ik een gestroomlijnder Internet verlang, maar eerder dat ik de fysieke dingen om me heen met een beady eye ga bekijken. Van daaruit beam ik jullie up naar het koffiezetapparaat van mijn werkgever. Dig this: In plaats dat de filterhouder in een filterhouder-houder zit, die niet in aanraking komt met de koffie, en dat het geheel vast zit op zo’n manier er geen koffie aan de rest van het apparaat kan komen; zit de filterhouder ingebed in een plastic rand, waarin de koffiedrap zich verzamelt en verzamelt en verzamelt tot je er, in de woorden van mijn tante Ita, bonen zou kunnen kweken. Nee, het is niet zo erg. Maar wie maakt er in een tijd waarin we heen en weer kunnen communiceren tot er een tunnel door onze hersenen loopt, en stroomlijnen tot we er allemaal uitzien als dolfijnen, in godsnaam nog een koffiezetapparaat dat alleen schoon te maken is door het a) in handen te geven aan een ervaren schoonmaakster, bouwjaar pre-1950, b) volledig onder te dompelen in water? Slecht karma!
¶ Gezanik over schrijfmateriaal is luxe-gezanik. Als je echt echt moet kun je ook schrijven op de randen van oude kranten, met een broodmes dat gedoopt is in paardenstront. Maar dat is alleen als het echt echt moet, en daarom heb ik de laatste tijd mijn favoriete merken schrijfblokjes, Moleskine en Clairefontaine, aan een onderzoek onderworpen. Helaas, helaas, hier wint de status het weer van het comfort. Mij is namelijk gebleken, is dat bij Clairefontaine de afstand tussen de regels perfect is voor mijn handschrift, en die afstand blijft in de meeste modellen hetzelfde. Het papier is goed: glad genoeg voor je vulpen ( maar niet zo glad dat de inkt seconden nodig heeft om te drogen), meegaand genoeg voor je balpen ( maar niet zo meegaand dat je er in weg zinkt) en korrelig genoeg voor je potlood. Bij Moleskine daarentegen is er met het papier niks mis, maar is het probleem de lijntjes; ze staan in de meeste handzame modellen eigenlijk te dicht op elkaar. Ik ben er aan gewend maar in momenten van grote opwinding of haast ga ik hanepoten en dan past het niet meer in die petieterige ruimte.
Wat is dan het issue? Het is toch duidelijk welk merk hier wint? Nee, oh lezer. Nee nee nee nee nee. Clairefontaine maakt namelijk zijn blokjes en schriftjes in een oubollig dessin met vakjes kleur in suffe kleuren, en meent er goed aan te doen zijn slecht aangepaste negentiende-eeuwse pseudo-Mucha-gone-very-1970-logo op de boekjes te drukken. Het ziet er niet uit. En het enige boekje in de serie dat er wel ok uitziet is weer behept met onnodige kartonnen tussenbladen, zogenaamd handig om Dingen in te Doen. Ik wil geen Dingen in mijn notitieboek Doen! Ik wil er in schrijven, nom d’un tonnere!
Nee, dan de Moleskine. Elegant. Nifty. De Apple onder de notitieboekjes; echt handig, maar ook echt een statussymbool. En natuurlijk verkrijgbaar in nuttige uitvoeringen als de Leporello, het Muziekpapier, de Reporter, en mijn geliefde veelgebruikte favoriet, Die Ene Met de Vijf Tabjes.
Oh, maakte Clairefontaine maar elegante hippe boekjes in effen, tijdloze kleuren! Dan zou ik tegen de stroom inzwemmen. Dans les circonstances hou ik het maar zo; Clairefontaine voor de lekker en Moleskine voor de mooi en efficiënt.
Wat doe ik eigenlijk met al die schrijfboekies? Oh lieve lezer. Stof verzamelen, letterlijk en figuurlijk. Maar dat is iets voor een ander blog.
¶ Gisteravond hing P.U. aan de telefoon. P.Wie? vroeg ik, maar Marcel haalde zijn schouders op en gaf me de hoorn. En toen wist ik het weer: die aardig klinkende man van Amnesty International aan wie ik bij mijn weten al twee keer gezegd heb dat ik niet zou gaan collecteren. Ik vind het hypocriet, wel lid zijn maar geen actie willen ondernemen; maar ik ben ook buitengewoon oprecht in mijn angst voor akelige honden die achter een deur vandaan komen en me omverwerpen terwijl hun baasje achter ze de deur uit strompelt en zegt
” Hector, af! Af! Let maar niet op die ouwe dibbes, hij doet niks hoor!”
en mijn brein in doodsangst terug is in de Bronstijd toen mannen mannen waren, vrouwen godinnen, en honden bloeddorstige monsters.
Nee, lieve Amnesty, ik ga niet deur-aan-deur collecteren. Gelukkig heeft meneer U. iets anders voor me verzonnen. Be still my heart; met een beetje mazzel houden we ons karma voor dit jaar op peil zonder in de muil van Hector te hoeven kijken.
Ik weet niet of het is opgevallen, maar de boekbeschrijvingen die ik tot nu toe op dit blog heb geplaatst zijn allemaal geweest van boeken (of van auteurs) waar ik minstens ambigu tegenover sta. Oppervlakkig bekeken moet de verklaring zijn dat een rant meestal lekkerder schrijft dan een lovend stuk. Een iets ingewikkeldere reden kan zijn dat ik er bij zulke ambigue boeken vaak niet meteen achter ben waarom mijn ene hersenhelft zo blij op en neer gaat stuiteren terwijl mijn andere in slaap valt, of zit te stomen van de ergernis; en dat ik daar op dit blog zo’n beetje hardop over nadenk.
Enfin, dit brengt me bij een boek dat eind jaren ’90 een grote indruk op me gemaakt heeft: Drawing Blood van Poppy Z. Brite. Het was toen het tweede horror-boek dat ik ooit gelezen had; het eerste was Lost Souls van dezelfde schrijfster. (Voor de liefhebber: Clive Barker zou ik daarna pas ontdekken, en dan vooral de grote romans, want voor The Books of Blood ben ik toch echt te teergevoelig.) Wat me in dit boek trok en bleef trekken tot ik het helemaal had uitgewoond, was de mengeling van de queeste en de manier waarop the puzzle of the flesh wordt onderzocht. Dit boek is twisted, maar op een voor mij leesbare manier, en dat fascineerde me mateloos.
Verhaal: Trevor Black is striptekenaar. Hij is de overlevende van een zogeheten familiedrama, waarin zijn vader zijn moeder, zijn broer en zichzelf vermoordde. Trevor is 25 geworden en reist naar Het Huis Waar De Moord Plaatsvond, om in het reine te komen met het feit dat hij als enige in leven is gelaten door zijn vader. Tegelijkertijd moet de New-Orleanse hacker Zach Bosch halsoverkop de stad verlaten omdat de politie hem op het spoor is. Ze ontmoeten elkaar in het stadje Missing Mile, North Carolina waar ze slapen in het Huis Van De Moord en ze zich, om te beginnen in relatieve onschuld, overgeven aan marihuana, koffie, seks (ja Marcel, homoseks) en paddo’s. Het Huis had hen al een aantal hints gegeven dat hier de bovennatuur aan het werk was: electriciteit en water staan gewoon aan, ondanks dat Het Huis al sinds 1972 leegstaat; een hamer materialiseert juist op het moment dat iemand in de stemming is to do some damage; een spiegel toont een weinig flatterend beeld van degene die erin kijkt. De paddo’s echter, in combinatie met drank en wiet en Het Huis, zorgen voor een duistere achtbaan van een slechte trip, waarna catharsis geschiedt en helderheid volgt. Maar niet voordat er veel geweld heeft plaatsgevonden, onder andere met voornoemde hamer.
Het is een oud verhaal, maar wel goed gebracht; held op zoek naar kennis over zijn verleden vindt wat hij zoekt, min of meer, en krijgt ook het meisje m/v na vele bloedstollende avonturen. Die avonturen zijn in dit boek mooi gedoseerd en de weirdheid ervan wordt bijzonder handig steeds net een graadje opgevoerd. Het verhaal is doortimmerd, de ontkoping is bloederig maar humaan. Wat Brite echter het beste doet is sfeer. De beschrijving van een zompige New Orleanse zomer en het gevoel dat het heelal een grote koude plek is maar dat er magie is op ongebruikelijke plaatsen, een trip als een kruising tussen Through the Looking-Glass en een buitengewoon noire film noir, het is onberispelijk gedaan. En de personages; jong, aantrekkelijk, a-moreel. Ze leren de liefde kennen en oprechte seksuele extase, maar die hoogten lijken niet los te kunnen bestaan van diepten van zeer vleselijk geweld. Dit zijn beschadigde personages, dat is duidelijk, en waar de seks en de drugs een helende werking hebben, moeten ze eerst hun relatie met het geweld oplossen voordat het genezingsproces plaats kan vinden.
Dit klinkt wel cool, en dat is het ook. Wat het boek daarentegen vermoeiend maakt, vooral bij herlezing, is het voortdurende name-droppen, het dwepen met de Amerikaanse underground en de terzijdes van de auteur, die worden neergezet als gedachten van Zach Bosch, maar die gewoon Brite’s eigen gefoeter zijn tegen de Amerikaanse samenleving.
Wat ik in de vorige paragraaf aandraag zijn gewoon wat nadelen van de schrijfstijl van Brite. Waar zit hem dan de ambiguïteit waar ik mee begon? Wat mij betreft vooral in de epiloog, die godlof maar vier of vijf bladzijden beslaat. Trevor en Zach zijn gelouterd door hun ervaringen in Het Huis, ze kunnen het verleden achter zich laten; je zou denken dat ze volwassen kunnen gaan worden, niet per se burgerlijk, maar gewoon volwassen, met een gevoel van verantwoordelijkheid en zo. Maar nee. Ze vertrekken naar een onwaarschijnlijk soort paradijs vol wiet en Madame Jeannette-pepers. Hoe lang blijft dat leuk, mensen? En hoe zal het aflopen met deze twee mooie jonge prinsen als op een dag het geld op is bijvoorbeeld, of als ze ineens geen bloedmooie, smalheupige jongens meer zijn maar volwassen mannen met een buikje en bruine tanden van de rook? Je gunt hen de idyllische epiloog van harte, maar het klinkt niet echt, het leest alsof Brite niet wist wat ze moest en daarom deze suikertaart bakte.
Ik moet hier ook aandragen dat mijn ergernis in mijn herinnering veel groter was. Nu ik hem herlezen heb begrijp ik weer waarom ik als een blok viel voor deze onderhoudende American Gothic semi-horror. Moeten jullie hem ook lezen? Och, ja, als het zo uitkomt. Hij is misschien het best geschikt voor degenen onder ons die er in de vakantie nog wel eens een fantasy-trilogie doorheenjassen. Nota bene; je moet wel tegen bloed kunnen, en tegen een spooky sfeertje en stomende seksscenes tussen mooie jongens. Maar als dat je ding is, is dit een heel aardig boek.
¶ Addendum: Okee- er is leven na het Aardse Paradijs. Op haar site verzekert Poppy Z. Brite ons dat de Trevor en Zach are now settled in Amsterdam, living a boring but happy life. vol wiet en sex en kunst en Internet. Het kan erger.
¶ En zo is het weer koud in het land. Ik vergeet altijd hoe erg kou precies is, net zoals ik me nu bij god niet kan herinneren hoe het voelt om met 28 graden rond te lopen. Zal de Noordzee bevriezen? Kunnen we auto-races houden op het Ijsselmeer?? Gaat er een Elfstedentocht komen??? Denk in elk geval aan mijn goede raad betreffende je sjaal!
¶ Ik slaap te weinig en Internet te veel, misschien dat dat mijn hersenactiviteit wat beïnvloedt. Ik wil maar zeggen: Sinterklaas/zwager R. heeft Daphne Deckers’ bestseller ”De Geboorte van Een Gezin” in mijn schoen achtergelaten. Ik heb dit boek gelezen. Sterker nog; ik heb hem met plezier gelezen. Het is een vriendelijk werkje waarin de (aanstaande) ouder wordt verteld, dat het okee is om maar wat aan te rotzooien in de verzorging en opvoeding van je kinderen, als je maar met liefde rotzooit. Als Daphne Deckers af en toe staat te gillen vanwege tepelkloven/waterpokken op vakantie/overbelasting qua werkende moeder/de peuterpuberteit/dodelijke vermoeidheid want wurm krijgt tanden & slaapt niet, dan mag jij het ook. (Of Richard Krajicek wel eens gilt vertelt het boek eigenlijk niet.) En als Daphne Deckers heur kinderen hun pap in hun haar smeren, dan mag jouw schatje dat ook, zonder dat je voor zijn/haar hersenfuncties hoeft te vrezen. Nee, voor de gemiddelde Nederlandse burgerouder die gemiddelde Nederlandse burgerkindjes uitpoept is dit een prima boekje; en een mooi voorbeeld van hoe een licht werkje nog geen pulp hoeft te zijn. (Ja, ja! Dan Brown heeft er in gehakt met z’n kloteboek…)
¶ Ik fietste onlangs langs een vrij grote weg aan de rand van het Leidse centrum, en mijn oog werd getroffen door een vermakelijk tafereel. Midden op het zebrapad stond een viertal oudere Marokkaanse heren, allen met de fiets aan de hand, te discussiëren. Niet heel erg verhit of zo, meer in de trant van “Maar moeten we onze pizza dan halen bij Palermo of bij Sorrento?” Desondanks waren deze heren zo in hun discussie verdiept dat ze niet zagen, of wensten te zien, dat er aan beide kanten van het zebrapad ongeduldige automobilisten naar ze zaten te fronsen. Uiteindelijk keek de kleinste met de meest grijze baard op, en hij wenkte zijn companen mee naar de stoep, waarop de automobilisten hun weg vervolgden met zure blikken op de mannetjes. Wat zal ik zeggen. Ik vond het hele tableau zo mediteraans, ik loop al de hele dag erover te gniffelen. (Behalve dan dat de mannetjes in willekeurig welk land ten zuiden van België allang van hun sokken gereden waren.)