Niet het Officiële Wervende Praatje
22/04/2010
Vriendin K. attendeerde me van de week vanachter een gedeeld kriekbiertje op het feit dat we weer eens in het jaar van de Tijger zitten. Sinds 1974 is het jaar van de Tijger mijn jaar (en dat van vriendin K, vriendin A, vriendin M, vriend M en vriend A. Minstens.). In 1986 zat ik in de brugklas en stond ik aan het begin van een eloquent ontkende puberteit; 1998, och, er waren wat akkefietjes met mannen en geld en Weltschmerz- enfin, we zijn nu 12 resp 24 jaar verder. Een puber zal ik nooit meer worden (eerder een oude taart), en bovendien heb ik Marcel, meer geld dan ik ooit in mijn leven gehad heb (wat helemaal niks zegt), en de tough love van therapeut C. nog vers in het geheugen. Met andere woorden: wie maakt me wat? Dit is mijn jaar (en dat van vriendin K, vriendin A, vriendin M, vriend M, en vriend A). Als ik dit jaar niet iets ga beginnen wat belangrijk voor me is, wanneer dan wel? In 2022 ben ik waarschijnlijk in de spits van mijn leven, en heb ik (mede) te zorgen voor een oud moedertje, een allengs sikkeneuriger wordende oude man en minimaal één puber. (Marcel bijt een stuk chocola af en vraagt zich af over wie ik het heb.)
In deze stemming loop ik al een tijdje rond, ik geloof eigenlijk al vanaf het moment dat ik onder invloed van drie glazen roze champagne mijn eerste blog van het jaar componeerde, op 1 januari 2010 om een uur of 02.00. Dit is mijn moment, voel ik, en wat ga ik ermee doen? Minimaal eens per week minimaal 1000 woorden op dit blog zetten voor het oog van de wereld was een mooi begin, en ik liep rond met plannen voor nog een ander blog, en op mijn werk ben ik driftig bezig met allerlei leuke nieuwe dingetjes; maar er is meer. Ik loop het al weken te hinten, fluisteren en roepen in allerlei gezelschappen en media en gremia, en nu is het tijd voor mijn coming-out.
Ik ga deze komende zomer van 2010, in augustus, over 3 maanden is dat, een schrijfcursus organiseren.
Goed, dat is er uit. En omdat dit niet Het Officiële Wervende Praatje is, maar mijn eigen uit-de-kast-komst, kan ik in mijn eigen buitengewoon weinig commerciële woorden vertellen where it’s at. Ik ga, ahem, een schrijfcursus organiseren. Het liefst natuurlijk voor mensen die zojuist hun eerste pen hebben gekocht, overdrachtelijk gesproken, want hen kan ik een boel vertellen. Bijvoorbeeld over Shitty First Drafts ( vriend B: dat is geen biermerk…) & ButtGlue™, nut & onnut van schrijfboeken en -cursussen, hoe dat “de dingen van je afschrijven” (#breuh) iets anders is dan schrijven-schrijven, dat het de moeite loont om een aangepaste versie van Ockams Scheermes aan te schaffen, wat niet betekent dat je je kopje moet laten hangen en berusten in je Twitter-account; over onmogelijke projecten en hoe die te herkennen, over geduld, over ambitie gefnuikt en ongefnuikt, het weer & de maan, over Hoge Honing en Laag Smeermiddel, over het nut van hardop voorlezen, over zintuigen, aandacht, exactheid, en leesbaarheid & hoe die te oefenen & te scherpen, over herschrijven en dwangmatig herschrijven, over ergernis en vreugde, en – nou ja, over hobbyschrijven dus.
Dat is iets waar ik echt verstand van heb, hobbyschrijven. Ik kwam er laatst achter dat ik het nu al twintig jaar en eén maand doe. Echt waar; mijn eerste gedateerde gedicht was van 16 maart 1990. Ik heb in die twintig jaar niet voor Jan met de Fabuleuze Vioolspelende Kat geschreven. Publicaties? Neeeeee, geen publicaties as such…maar wel erg veel geschreven en geschreven en nog meer geschreven en nog veel meer geschreven. En het toen eens aan iemand laten lezen die allemaal zinnige dingen zei, en het daarna door de shredder van de geest gehaald, en daarna nog veel meer geschreven. Ook heb ik in 2007 bijna een boek geschreven (zoek “Proza op Ralloblog” bij elkaar en je ziet wat hoofdstuk 1 had moeten zijn), maar ik heb bijna meer geleerd van het project loslaten dan van het schrijven zelf. (Vriendin A. kijkt nu krities naar het scherm vanachter haar hippe bril. Oh, okee, okee, niet alleen van het loslaten.) Ik dacht altijd dat het mijn woorden waren die ik goedgunstig zou delen met de wereld, maar het lijkt er op dat ik iets heel anders ga delen, namelijk mijn kennis over het proces. Dat klinkt redelijk intimiderend als je zojuist je eerste pen hebt gekocht, maar de beste omschrijving van wat ik te vertellen is deze: honderdduizend manieren om je pen op papier te zetten en hem te bewegen op zo’n wijze dat er woorden uit komen die een werk vormen. (Toetsenborden is les twee.)
Dus en wederdus. Het Officiële Wervende Praatje komt binnenkort. Intussen ben ik blij dat dit verhaal van m’n lever is, en dat alle onduidelijke tweets over daadkracht en organisatietalent een beetje verduidelijkt zijn. Heb jij op zondagochtend 27 juni aanstaande iets te doen tussen 10.00 en 13.00? Ik organiseer dan een proefsessie, met koffie en thee en koekjes en alle kansen om feedback daar te deponeren waar hij thuishoort. De eerste vijf mensen die reageren, op welke manier dan ook, are in.
(En nu stel ik me voor hoe jullie dit stukje lezen, en hoe in de loop van vanavond en morgen uit minimaal 82 huishoudens overal in Nederland een kleine Mexican Wave van hoongelach zal opstijgen…Ik ga even kijken of Marcel nog wat chocola heeft. En een fles Martini. Of jenever. Of allebei.)
“Gut,” zei ik, onder de indruk, “zijn jullie feestjes altijd zo ranzig?”
“De mijne niet,” zei Rutger.
Allert draaide zich met een ruk om en keek hem vuil aan maar zei niks. Ik waste door, twijfelde even, maar ontdekte dat mijn nieuwsgierigheid groter was dan mijn discretie.
“Wat was er nou, gisteravond?” vroeg ik.
“Er was een feest Tam,” probeerde Allert, maar ik had nog steeds een kater en weinig geduld. Ik blies de koffieprut uit het zeefje van de percolator en zei:
“Nee, met jullie. Jullie stonden zo te schreeuwen.”
“Allert stond te schreeuwen,” zei Rutger, zijn blik op het bierglas in zijn hand en de theedoek er omheen.
“Dat is omdat Rutger zich met mijn zaken bemoeide,” zei Allert. Hij legde een lelijke houten schaal met iets te veel kracht op tafel.
“Oh?” suggereerde ik.
Rutger bleef bij het druiprek staan en bekeek me van opzij.
“Wat gaat jou d-dat aan?”
“Niks,” gaf ik toe, “maar het viel nogal op, jullie stonden midden in de keuken en zo.”
Ik pakte een pan waar de resten van een rijstmaaltijd aan kleefden.
“Dit ga ik niet afwassen, dit moet eerst weken.”
Allert pakte de pan afwezig aan. Rutger bleef me strak en fronsend aankijken. Allert dook onverwachts op aan mijn linkerkant en knalde een stapel smerige dipkommetjes op het aanrecht.
“Okee, okee- ik heb al mijn boeken weggegeven gisteravond, aan een paar vrienden van me.”
“Hè?”
Allert stond stevig op zijn benen, zijn armen rustig langs zijn lijf. Hij leek een meter of drie lang en hij vulde de keuken met zijn frons.
“Jeetje,” zei ik.
“Ik moest weer ‘s opschonen,” zei hij.
Rutger had zijn theedoek over zijn schouder geslagen en draaide bedaard een sigaret.
“Hij heeft niet al zijn boeken weggegeven,” zei hij tegen mij, zijn blik op de afwas, “sommige mensen wilden ze niet aannemen. Die boeken gaat hij vandaag naar de kringloopwinkel brengen, n-niet naar de Slegte, want hij wil er geen-”
“Rutger, hou je mond,” zei Allert, “je hebt geen idee waar ik mee bezig ben.”
“Dat is waar,” zei Rutger. Hij haalde een aansteker tevoorschijn en stak zijn sigaret aan.
“Hee droog ‘s door,” zei ik, ik geneerde me dood en ik wist niet wat te zeggen dus vooruit dan maar, het eerste wat in me opkwam, “het afdruiprek is vol.”
“Ik rook deze sigaret even op.”
“Welja,” bromde ik, maar ik deed mijn handschoenen uit en schonk mezelf nog een kop lauwe thee in. Rutger zat in de vensterbank bij het open raam, hij blies zijn rook naar buiten. Het walmde net zo snel weer naar binnen, en ik wilde diep inademen maar dat deed ik niet. Hij knipperde niet eens met zijn ogen. Allert hurkte met zijn rug naar me toe en ruimde met woedende gebaren een keukenkastje in.
Wat doe ik hier, dacht ik. Het was warmer geworden in de keuken maar de sfeer was knus als kouwe koffie.
“Zullen we weer doorgaan?” vroeg Rutger, bijna beleefd.
Eigenlijk wilde ik die frons van zijn gezicht afslaan met de vieze rijstpan, maar ik maakte een nieuw sopje. Ik liet wat bestek in het water vallen. Een aantal glazen verschoven met dreigende tinkels op het volle afdruiprek. Mijn handen plonsden het water in en uit.
Achter me slopen Allert en Rutger als katers om elkaar heen. Begeleid door Shostakovich (hij werd inderdaad steeds onrustiger) liep Allert links om de tafel en Rutger rechts, ze keken elkaar niet aan en hoefden elkaar niet eens te zien.
Allert gaf me een stapel bierglazen aan en glimlachte naar me. Het was een moeizame glimlach en hij eindigde bij zijn mondhoeken. Toen begon de dans achter me opnieuw. Ik voelde mijn handen rimpelen onder het rubber, ik waste stug door en ik vroeg me af of dit iets van mannen was, dit gemok, of iets van broers, of helemaal iets anders. Zo erg was het tenslotte niet, Allert mocht zijn bezittingen weggeven aan de armen, en desnoods aan de rijken, en gaan leven als Johannes de Doper in de woestijn, wat kon het Rutger schelen? Allert leek me een grote jongen die wist wat hij deed.
Ontbijtborden, een koekenpan, wat ouderwetse rookglazen wijnglazen. Onder het gebulder uit de radio hoorde ik de stilte tastbaar als natte watten. Wat deed ik hier!
Nog een paar schalen met chipsresten, een paar jeneverglaasjes die achter de stereo vandaan kwamen- ik waste een laatste opscheplepel af en trok de rubberen handschoenen zeer beslist uit.
“Ik moet naar huis,” zei ik, “douchen.”
Rutger was alweer in de vensterbank gaan zitten met een peuk. Hij knikte nors naar me. Ik knikte net zo nors weer terug maar ik wierp toch nog een verlangende blik op zijn peuk voor ik wegging. Hij zag me kijken, de zak.
Allert liep met me mee de gang op, een dietzensnijder nog in de hand.
“Dank je voor het afwassen,” zei hij.
“Dank je voor het logeren,” zei ik, en hij lachte naar me en nu klaarde zijn hele gezicht op.
“Michiel en ik gaan volgende week klussen in mijn kamer, het behang afscheuren en alles opnieuw verven en zo- heb je zin om te komen helpen?”
Ik keek hem wat verontrust aan en hij zei:
“Rutger is er niet,” en toen moesten we allebei lachen.
“Okee,” zei ik, en we spraken zondag af, half twaalf, niet te vroeg? We stonden al half in de deuropening en we spraken nogmaals af, half twaalf. Buiten was de lucht koud en schoon en ik vond het leuk om te helpen klussen volgende week, en ik durfde niet te vragen hoe het echt zat met die boeken, en waarom ik er geen van hem gekregen had, dus ik zei nog eens dag, en ik geloof dat hij me wilde zoenen maar ik schoof weg.
Dahaaag! Ik wilde naar huis, douchen, en dan naar mijn eigen warme kamer en geen fronsende mannen meer. Naar huis.
Zo/Pro: Tamar en Allert ontbijten
04/04/2010
“Hee, Tamar,” zei Allert, “hee…”
Ik had hem wel horen binnenkomen en koffiezetten. Ik had alleen verkozen te doen alsof ik nog sliep.
“Het is dinsdag 20 mei 2060…” zei Allert, “Je hebt meer dan 70 jaar geslapen. Ik ben Allert nummer 3, ik ben speciaal gekloond op je gerust te stellen bij het ontwaken. Je bent een medisch wonder…”
“Hoe laat is het?” zei ik met een dikke droge stem.
“Het is iets over elf, en je bent om half twee gaan slapen,” zei Allert, “tijd om op te staan dunkt me.”
Ik pruttelde half afgemaakte zinnen. Hij zette de radio aan en Sjoooooors Fröhlich riep iets over Madonna.
“Oh man,” zei ik, mijn voorhoofd betastend, “ik heb teveel gedronken.”
“Ja,” zei Allert met een grijns, “van alles door elkaar ook.”
Ik wankelde naar de gootsteen, maakte mijn handen en mijn gezicht nat.
“Wil je koffie of thee?” vroeg Allert.
Hij wees me een stoel aan de keukentafel aan en ruimde een bruikbaar oppervlak af. Ik had een filosoof opzij geschoven en was gaan slapen, zei hij, maar ik was met enige regelmaat rechtop gaan zitten, en ik had meegedaan met het gesprek.
“Je was net Monty Python.”
“Ik weet helemaal niks meer,” zei ik somber.
“Verbaast me niks,” zei hij, “boterham?”
Ik knikte. Hij sneed twee sneetjes van een lichtbruin brood, hij smeerde ze dun in met boter (het was roomboter), en belegde ze met rookvlees zonder mij iets te vragen. Hij vouwde een theedoek om zijn arm en zette me het ontbijtbord voor met het uitgestreken hoofd van een ober in een film; hij schonk mijn thee in alsof het onbetaalbare cognac was van een goed jaar. Ik gniffelde bijna, maar toen kwam Rutger binnen.
“Goedemorgen,” zei hij, “gaat het weer?”
“Hm,” bromde ik.
Rutger kwam rechts van me zitten met een kop koffie. Allert met de theepot links.
“Ik voel me zo ellendig,” zei ik, “ik ga nooit meer drinken.”
“Je gaat zeker ook nooit meer roken,” suggereerde Rutger. Uit de zak van zijn grijsblauwe badjas stak een pak shag.
“Inderdaad,” zei ik.
We kauwden onze boterhammen. Ze smaakten zelfgemaakt.
“Hoe is het afgelopen met Chiara?”
“Ze heeft keurig in de pot overgegeven, en toen onder het toeziend oog van Hanna de plee geboend, en toen gingen ze naar huis.”
Ik knikte. Ik hoopte dat Chiara zich net zo beroerd voelde als ik.
We zaten een poos in relatieve stilte. Het was ook overdag een gezellige keuken, een tikje shabby en vol met huisraad in lelijk eind-jaren-zeventig bruin-en-oranje. Buiten was het zonnig en binnen was het koud, de radiator loeide en tikte maar verwarmde niet.
Rutger liep naar de radio.
“Mag ik?” vroeg hij, iets te beleefd.
Ik keek hem verbaasd aan maar Allert haalde zijn schouders op zonder te kijken, waarop Rutger de knop omzette naar Hilversum Vier.
“Oh, heerlijk,” zei ik, misschien wel een tikje theatraal, “rustig.”
“Het is Shostakovich denk ik,” zei Allert, “dat blijft niet zo rustig.”
Of ik nog een boterham wilde. Ik schudde mijn hoofd.
“Help je dan mee met de afwas?”
Ik was van plan om nukkig te kijken en te weigeren en dan naar huis te gaan in een koude wolk van astranterigheid en schaamte, maar ik zei:
“Oh, ja hoor. Mag ik een trui lenen? En misschien toch nog een boterham? Lekker brood zeg.”
Iets in de lucht om mijn hoofd was opgeklaard. Ik at mijn boterham en mijmerde over verantwoordelijkheid en alcohol. Rutger begon in stilte met het stapelen van kopjes en glazen. Allert zocht lege en halflege chipszakken chocoladepapiertjes en kroonkurken bij elkaar, en wees me vriendelijk op de fles Old Tennessee Snakebite whisky die Chiara en ik soldaat hadden gemaakt.
“Hij is nog niet leeg,” probeerde ik.
Allert wiebelde het miserabele bodempje heen en weer en ik kreunde zachtjes.
“Ik heb teveel gedronken.”
Rutger zei hmpf en Allert knikte, maar ze gingen niet in op mijn klacht. Ik mocht kiezen; afwassen of afdrogen? Ik kreeg een grote groene lamswollen trui van Allert, een paar rubberen handschoenen en een schort met Ollie B. Bommel erop. Allert droeg aan, ik waste, Rutger droogde en Allert borg weer op; het was een prettig en vertrouwd ritme.
“Weet je zeker dat Chiara alleen in de wc overgegeven heeft?” vroeg ik, mijn rubberen handschoenen polsdiep in een pan met smurrie.
“Nee, dat was dinges, hoeheetttie, hij wilde pannenkoeken bakken en hij zat heel stil in een hoekje beslag te maken, hij had al drie pannen vol voor hij besloot dat hij beter kon gaan slapen. Hij was bijna net zo dronken als jij.”
“Gut,” zei ik, onder de indruk, “zijn jullie feestjes altijd zo ranzig?”
“De mijne niet,” zei Rutger.
Allert draaide zich met een ruk om en keek hem vuil aan maar zei niks. Ik waste door, twijfelde even, maar ontdekte dat mijn nieuwsgierigheid groter was dan mijn discretie.
“Wat was er nou, gisteravond?” vroeg ik.
¶ Hieronder vind je een mini-Zondag-Proza. Laat Tamar maar een weekje tukken; volgende week doet ze de afwas.
¶ Heb je wel eens een schrijfcursus gedaan? Heb je daar een (wellicht negatieve…) mening over? Zou je een vijftal vragen willen beantwoorden? Email me op Ralloblog apenstaart gmail punt com. Alvast dank.
¶ Vriend D. was afgelopen maand 2 keer in de Efteling. (Nee, vraag maar niks.) De tweede keer was er een heus bal, met als thema sprookjes, dus vriend D., sowieso de beroerdste niet, doste zich uit in zijn beste pak, met drie stropdassen in vriendelijke pastelkleuren. Stropdassen dus. Drie. ( Het valt nog mee. Vriend D. heeft veeeel meer dan drie dassen aan zijn professionele dassenrekje hangen). Het zou een sprookjesfiguur moeten zijn, maar welke? Ik vermoed hier enige literaire hanky-panky; is dit zijn idee van de Mad Tie-maker? Repeldasje? De Dassenkraker? De jongen met de stropdasjes? Het is een lastige kwestie.
Toen ik deze prangende vraag voorlegde aan het Zaterdags Koffieberaad, zei vriendin R. meteen: Google! En ja, dat is natuurlijk wat je doet als je er niet uitkomt; je tiept in sprookjes, “drie stropdassen”, je doet enter, en je kijkt wat er gebeurt.
Alleen- nee. Ik zat naar de foto van vriend D met zijn drie stropdassen te kijken en ik vond het prettig om mijn hersenen te horen kraken. Tegen vriendin R. mompelde ik iets verontschuldigends (kan ook moeilijk anders want vriendin R. is de huidige incarnatie van Prgma, Boddhisattva van de Praktische Oplossingen), maar toen ik thuiskwam wist ik het weer: ik hecht aan kennis. Ik wil weten dat ik het weet en pas als ik weet dat ik het niet weet ga ik te rade bij Google. In deze antwoordgerichte tijden wil ik weten dat mijn hersenen het doen, en niet alleen een opslagplaats zijn voor zoekstrategieën.
Blijft de vraag: welke sprookjesfiguur is 1.92 m, loopt rond in grijs driedeel en heeft 3 zegge drie stropdassen om?? Knoopdasje, natuurlijk.
¶ Ik zal hier een coming-out moment inlassen: ik heb de schurft aan films kijken. Laat ik het anders zeggen. Ik kijk zelden naar films om de volgende redenen:
-Ik ben een sentimentele muts en ik voel me nog dagen slecht (nee, echt slecht) als iemand lijdt in een film die ik zie. En er lijden nogal wat mensen in films, dus ga er maar aan staan.
-Ik heb meestal het gevoel dat ik iets beters kan doen met mijn tijd. Schrijven of zo, of lezen, of mijn kledingkast uitmesten, of schrijven. Of zo.
De situatie speelt zich vaak als volgt uit: Marcel zet de video aan om een film te kijken en ik begin te brommen en te mompelen en te miepen. Als ik voor de derde keer de kwijl van mijn toetsenbord af moeten vegen omdat ik toch weer in trance naar de TV zat te staren, pak ik mijn boeltje en vertrek ik naar mijn bureau boven. Vervolgens kom ik naar beneden om thee te halen of iets dergelijks, en dan vraag ik aan Marcel:
“Is ze zwanger?”
“Hm?” vraagt Marcel.
“Is ze zwanger? Ze kijkt zo raar.”
“Hij is haar neef,” zegt Marcel dan, zijn ogen op het scherm, “en hij wordt verdacht van moord op haar broer.”
“Oh. Vandaar dat ze zo raar kijkt.”
“Kijkt ze raar?” vraagt Marcel afwezig, en ik besef weer waar ik mee bezig ben en ga naar boven.
Op deze wijze krijg ik circa 34% van zo’n film te zien, en ik weet dan dus dat De Neef het niet gedaan heeft, maar ik kom er niet achter of Ze nou zwanger is of niet.
Je voelt hem waarschijnlijk al aankomen: de keren dat ik tijdens een of andere film wel zo geboeid raak dat ik hem uitzie, of als we eens een keer naar de bioscoop gaan, dan ben ik na afloop helemaal blij en gelouterd, en roep ik huppelend uit: wanneer is de volgende? Marcel doet dan hoopvol een nieuwe film in de video, & de hele cyclus vangt weer aan.
Dit alles is al aan de orde zolang als Marcel & ik samen zijn, en voor mijn lieve meegaande man is de maat nu vol. Hij heeft me bevolen, op straffe van echtscheiding, om mijn zaterdagavonden vrij te houden. Hij heeft zes jaar de tijd gehad om een uitgekiend filmprogramma voor me te maken, en nu is de tijd gekomen dat ik dat over me uitgestort ga krijgen. Hij heeft de films zorgvuldig Anna-proof gehouden; geen kindermishandeling, geen verkrachtingen, geen kannibalisme, geen zombies of echt akelige vampiers (Buffy the Vampire Slayer telt dus niet mee). Ik heb derhalve niks te zaniken en ik zal die films uitkijken or else, voegde hij me toe, terwijl hij woest en veelbetekenend zwaaide met een rol ducttape.
“Mag ik er dan over bloggen?” piepte ik.
“Ja, je mag er over bloggen, ” zei hij, en hij legde de rol ducttape weer neer.
Goed- dit is het begin van de Orson Welles Movie Night. Om de zaterdag. Bij de Rallotjes. Zaterdag 3 april beginnen we met Annie Hall; lees er alles over op Ralloblog.
Ik werd wakker in het donker. Om me heen rook het naar drank, sigaretten en frituur. Iemand had een deken over me heen gelegd en ik lag onverwacht comfortabel en warm, zelfs mijn voeten, zelfs mijn rug.
“Oh shit,” dacht ik.
Ik dacht even aan mijn moeder. Ik dacht even aan Michiel; dat was inderdaad een hele leuke jongen. Ik dacht aan morgen, dat ik waarschijnlijk weer niet naar de kerk zou gaan.
Het was stil in de keuken, op keukengeluiden na. Ik hoorde de koelkast heel duidelijk, en de suisgeluiden die in vreemde huizen zo opvallen als het stil is. Hoe laat- ik wilde niet weten hoe laat het was. Mijn handen waren zo warm, ik voelde ze warm zijn en ik kon niet meer nadenken en ik dreef weer in slaap. Ik dacht aan Bach, ik dacht dat ik een cello hoorde ergens, maar dat kon niet, het was zo laat. Mijn handen waren zo warm, ik voelde ze warm zijn, en ik sliep weer verder.
Waarom ik waarschijnlijk geen dagboek meer bij zal houden (maar wel graag schrijf over het weer)
24/03/2010
In 2007 heb ik me drie slagen in de rondte geschreven aan wat toen nog mijn magnum opus leek te gaan worden (lees er alles over op ZondagProzadag!) , maar op een dag sloeg de vermoeidheid toe. Ik vond het allemaal nog reuze inspirerend en interessant en ik praatte met iedereen die wilde luisteren over de avonturen die mijn personages allemaal nog mee gingen maken; maar als ik in bed lag, en te maken had met het donker achter mijn ogen, dan wist ik dat er weer een fase was afgesloten in mijn schrijvende leven. Niet definitief, maar op dat moment was het even op.
Gelukkig was daar Natalie Goldberg! Ik ging te rade bij de Zen-meesteres en besloot wat in het wilde weg te gaan schrijven. (Dit is een opmerking waar doden zich van in hun graf omdraaien, vrees ik.) Ik had al een aantal jaar geen dagboek bijgehouden en oktober 2007 leek me een mooi moment om daar weer eens mee te beginnen. Ik zocht een leuk schrift en een prettige pen uit, en legde ze naast mijn bed. No joy; ik keek er ‘s avonds naar voordat ik mijn hoofd op mijn kussen legde en bedacht dat ik morgen echt moest beginnen. Na twee weken legde ik het leuke schrift en de prettige pen op mijn bureau. Evenmin een succes. Het lukte me gewoon niet om elke dag een stukje te schrijven over a) die dag b) hoe ik die dag gevonden had c) hoe het die dag met mij was gegaan. De meeste dagelijkse levens zijn vrij saai, wat Twitter ons ook wil doen geloven, en ik zou gemakkelijk vier dagen per week het volgende in mijn dagboek kunnen noteren:
¶ Klant, koffie, klant klant koffie. Email, fax, klant. Koffie. Never a dull moment in het boekenvak.
Met wat variaties in de volgorde zou het vier dagen per week waar zijn. Niet dat dat erg is, maar waarom zou ik dat per se willen memoreren?
Vroeger had ik deze scrupule niet. Ik heb de bult op mijn rechterwijsvinger nog om te bewijzen dat ik vele, vele uren met vlekkende balpennen in goedkope notitieblokken mijn ziel binnenstebuiten heb gekeerd. Zonder de relatieve bondigheid waartoe het leven en het blog-format me gedwongen hebben bleef ik zagen en malen, rotte kiezen in het gebit van mijn innerlijk werden gezocht en bepoteld en bepookt, en een en ander resulteerde in diepe maalstromen van emotie en sentiment; en uiteindelijk schreef ik al die notitieblokken vol met zooi. Nu meen ik niet dat mijn innerlijk zooi bevat, noch dat elke dagboekschrijver zooi schrijft. Ongecoördineerde zooi is echter wat ik schrijf als ik dat hoogstaande, fijnzinnige en boeiende innerlijk van mij op papier probeer te reproduceren. Bovendien is de gemiddelde dagboekschrijver (inclusief mijn vroegere zelf) op zoek naar een uitlaatklep of helderheid of iets dergelijks, terwijl ik in oktober 2007 op zoek was naar een duurzaam onderwerp om mijn pen aan te scherpen zolang als ik niet een werk had om aan te werken. Dat is een heel andere insteek. Goede raad was duur, en Natalie Goldberg is geen orakel.
Gelukkig wonen wij in Nederland.
En wat zien we altijd om ons heen, als we ’s ochtends de deur open doen en een paar keer diep inademen voordat we op de fiets stappen? Natuurlijk! Het weer! Omdat we in Nederland wonen laat dit zich zeer goed beschrijven. Stel je voor dat je ergens in Afrika of pak ‘m beet Sicilië woont, dan doe je je deur open en kun je noteren: Stoffig, tikje bewolkt, hotter than hell. Dan ga je weer naar binnen en ga je door met je leven. Hier daarentegen razen de wolken dramatisch door de lucht, of ze drijven in uitgerekte vorm in de richting van de zee, of ze vormen het meest apocalyptische dekbed dat je ooit gezien hebt, grijs en oranje en geel en vol vrolijke dreiging, of ze hangen bijna stil terwijl een waaier zonnestralen als hemelse orgelpijpen naar de aarde neerdaalt- enfin, you get the picture. Elke dag genoeg inspiratie (eh…nou ja, wolken dus) voor minimaal één gelinieerde A5, ook als ik verder echt echt helemaal niks te melden heb! Het was een uitkomst. Volgende stap: de maan. Groot wit sereen & spiritueel de ene maand, smoezelig de volgende, laaghangend geel & dreigend de dag erna, en hoogst islamitisch in een scherp-bleekblauwe lucht een week later. Volgende stap: bomen! Volgende stap: insecten!!
Het klinkt nu alsof dat het moment was waarop de bout in mijn schedel definitief losschoot, maar ik heb twee maanden met groot genoegen & als een dolle geschreven, het weer, de maan, de platanen bij de UB, drie wespen bij het huisje aan het spoor – ik beschreef wat ik zag omdat ik niks kon verzinnen, maar wel heel graag mijn hersenen en mijn vingers wilde flexen. Het was heerlijk, en wat ik schreef was lang niet slecht. Het was in elk geval niet zulke zooi als ik geproduceerd had als ik het zoveelste dagboek over mijn innerlijk was begonnen. Als het zooi was geweest, echter: whatever. Dit waren oefeningen & losse flodders, niet een blauwdruk van mijn ziel.
En toen ontdekte ik dat ik zwanger was, en had ik weer een innerlijke noodzaak om een dagboek bij te houden. Maar dat ging tenminste ergens over. Ik zal nooit meer een dagboek bijhouden dat overal over gaat, en dus nergens over; van de gedachte alleen al raak ik opgelucht en blij. Echt, het weer & de maan ver zijn te verkiezen boven de stuiterende pingpongballen van mijn ziel.
Chiara gaf me een glas whiskey en we klonken.
“Op de familie van Rooyen,” zei ze, “op Paulie en haar klootzakken, op Allert en zijn whiskeyvoorraad en op Rutger die echt gek is.”
“Maar hij houdt wel oprecht van telescopen,” zei Hanna, en hief het glas.
“Mijn god wat een nerd,” zei ik.
“Jullie hadden het wel gezellig met z’n tweeën op de koelkast,” zei Hanna.
“Dit moet je lezen!” riep Allert, hij liep met iemand mee de gang op en bleef daar op luide toon tegen haar praten.
“Is Allert dronken?” vroeg Chiara, ze boog zich achterover om in de gang te kijken en kwam met haar hoofd tegen Michiels brede borstkas aan.
“Nee,” zei Michiel, “Allert drinkt helemaal geen alcohol.”
We staarden allevier naar de deuropening, we konden Allert niet zien maar wel horen en hij riep iets over dat Kerouac America Begrepen Had, niemand voor en niemand na hem had de ziel van de States zo goed doorzien…
“Daar wordt een arme ziel bekeerd,” zei Michiel glimlachend.
“Allert is minstens zo gek als Rutger,” zei ik.
“Pas op, daar loopt’ie,” zei Hanna rustig.
“Nou ja, het is toch zo?” riep ik, maar ik voelde me helemaal warm en knalrood worden. We zagen Rutger de keuken verlaten en toen zei Hanna:
“Allert is niet gek, hij is manisch-depressief of zo.”
“Of zo,” echode Chiara, “is dat beter of zo?”
“Zeg,” sliste ik, ik was overgegaan op inferieure whiskey, “wisten jullie dat je de hoofdstukken van een proefschrift los moet publiceren?”
“Ja, natuurlijk,” zei Chiara.
Hanna knikte afwezig en Michiel mompelde meestal wel. Ik nam een slok. Ik voelde me alsof ik van de huishoudschool kwam.
“Hoezo?” vroeg Hanna.
“Rutger, en z’n telescopen, hij begon erover,” zei ik.
“God wat een nerd,” zei Chiara.
Hanna haalde haar schouders op.
“Hoeveel mensen ken jij met harstocht voor hun vak?”
“Rutger is zo saai,” lispelde Chiara, “Allert is veel leuker.”
Mensen met hartstocht voor hun vak, pruttelde ik, wat voor leven was dat nou, leven voor je vak? What about mensen, pruttelde Chiara, what about je vrienden? Hanna rolde met haar ogen, maar sprak ons niet meer tegen; Chiara schonk me nog een glas foezel in, en we klonken op, eh, dinges-
Net op dat moment kwamen Rutger en Allert de keuken weer binnen.
“Waar bemoei je je mee!” brulde Allert.
Rutger keek hem stug aan en zei niks. De muziek dreunde vrolijk voort maar de lucht was dik geworden; iemand, en dat kan ik best zelf geweest zijn, liet een ongemakkelijke giechel ontsnappen, en toen zei Chiara “Waarom is het zo stil?” en toen klonken nog veel meer ongemakkelijke giechels en begon iedereen weer te praten.
Michiel liep naar Allert toe, hij pakte zijn arm en samen liepen ze de keuken uit; Rutger bleef even staan, zijn schouders hoog opgetrokken, dan pakte hij langzaam zijn shag uit zijn borstzak en liep hij, nog steeds stug kijkend, ook naar de gang.
“Wat was dat nou?” vroeg ik.
“Rutger heeft zich met Allert bemoeid,” zei Hanna, “dat is zijn roeping.”
“Nee, telescopen zijn zijn roeping,” giechelde Chiara en ze dronk haar glas leeg.
“Oh god, is dat Jacob Bregman?”
“Ja, maar hij gaat net weg,” zei ik.
“Mooi,” zei Chiara en ze schonk ons nog een keertje in, terwijl ze me toevoegde “Maar Michiel- ik weet niet waar hij is, maar Michiel is dus duidelijk stukken leuker voor jou dan Allert.”
“Eh, wat?” wankelde ik, ik hoopte koeltjes, en Chiara zei Neee, niks, omdat ze de onschuld zelve was, en ik had wel vrij veel gedronken, toch wel.
Achter me hoorde ik Allert zeggen, blijkbaar weer in opperbeste stemming:
“Maar wat is er dan mis met Gerard Reve?”
Naast me zei Chiara,
“Oh, shit,” ze trok een grimas en rende in de richting van de wc.
“Nee he,” zei Hanna. Ze zette haar glas neer en liep achter Chiara aan.
“Homofiel vind ik geen probleem,” zei iemand achter me, “maar katholiek, bekeerd nog wel…”
Ik zette mijn glas ook neer en wankelde naar de bank. Allert dook op en zei iets vriendelijks.
“Ik wil naar huis,” zei ik.
“Nee, nee,” zei Allert, hij had vlekken onder zijn ogen maar hij keek me wakker aan, “niet zomaar gaan Tamar, dan moet je eerst een afscheidsgeschenk van me ontvangen-”
“Nee, ik wil naar huis,” zei ik, “maar eerst moet het draaien ophouden.”
Ik liep naar de bank, duwde iemand opzij, nestelde me, en viel in slaap.
Zondag Prozadag: Allert geeft een feestje II
07/03/2010
Rutger fronsde nog steeds maar maakte een onverwacht hoffelijk gebaar met zijn hand en ik maakte me uit de voeten. Paulie, zijn zus, stond een beetje sip te staren naar de klaverjassers, die in een discussie verwikkeld waren over droog gaan en nat staan. Naast haar stond Louis en hij zei net tegen haar dat ze een muts was. Ik glimlachte naar haar en liep door. Ik mocht Louis niet zo.
Helaas wandelde ik recht in de armen van Jacob Bregman, hij kwam binnen en keek speurend om zich heen en hij klaarde helemaal op toen hij mij zag, mij kende hij tenminste zei hij. Hoe was het met mij.
“Oh, goed,” zei ik, en ik verlangde naar een peuk.
Of ik Chiara nog gezien had. Ik stond op het punt om naar de bank te wijzen maar ik zei vagelijk nee, nee, nog niet, misschien komt ze nog. Tussen de mensenmassa’s door zag ik Chiara O Shit zeggen, van de bank afspringen en naar de gang rennen.
“Kom, we gaan op de bank zitten,” zei Jacob. Hanna had seconden eerder nog verbaasd naar Chiara gekeken maar toen ze Jacob zag komen ging haar een licht op, ze had het ineens heel druk met het openmaken van de fles rode wijn in haar handen en praatte geanimeerd met iemand die naast de bank op een tafeltje zat. Ik plofte naast haar neer en ging zo dicht mogelijk bij haar zitten. Jacob ging naast me zitten op de bank, hij zette zijn ribfluwelen benen zorgvuldig zo neer dat hij me niet raakte en toen keek hij me vaderlijk aan. En hoe het ging met mijn studie?
“Studiedipje,” zei ik, “het is de tijd van het jaar.”
“Hoeveelstejaars ben jij?”
“Tweedejaars.”
“Ach ja,” zei hij, “de sophomore slump. Maak je geen zorgen, ik heb het ook meegemaakt, het gaat voorbij.”
Hij schonk zichzelf port in een wijnglas, ik nam een limonadeglas wijn aan van Hanna, die geamuseerd naar me lachte maar met de jongen naast de bank bleef praten. Dat was niet aardig van haar, ik zat vast aan vaderlijke Jacob die intussen om zich heen keek en zachtjes begon te praten, ik kon niet verstaan wat hij zei want hij fluisterde half en hij keek heel discreet. Het was lawaaiig en ik zat naast de stereo waar iemand een gek soort dreunmuziek in had gedaan. Ik sloeg mijn wijn achterover en ik dacht aan sigaretten.
“Wat zeg je?” vroeg ik een paar keer, maar hij keek me nog indringender aan en fluisterde verder, iets over verlovingen. Opgelucht haakte ik in.
“Maar jij bent toch ouderwets?” zei ik, “Dan is een verloving toch romantisch?”
“Romantisch?” vroeg Jacob geschrokken, “Ben ik ouderwets?”
“Ja,” zei ik overmoedig, “maar dat is toch niet erg, je bent -”
De zus van Allert en Rutger stootte tegen mijn knie aan, ze zei in het wilde weg sorry en liep huilend naar de gang, met Louis achter zich aan. Hij ondersteunde haar, een arm half om haar heen en een sigaret in zijn hagedissenmond.
“Nou zeg,” zei Jacob.
“Oh, eh,” zei ik, “nou moet ik ineens zo nodig naar de wc- sorry hoor.”
Buiten de keuken was het heerlijk koel, koud bijna, misschien vanwege de stenen vloer en misschien omdat de voordeur open stond. Ik zag Paulie in de deuropening, ze gilde iets tegen Louis en toen trok hij de deur dicht. Allert kwam uit de andere deur in de gang gelopen, hij had een stapel boeken in zijn armen en zag er uit alsof hij een boekhandel begonnen was.
“Hoorde ik Paulie?” zei hij. Ik knikte en ging de wc in, ik hoefde niet zo nodig te praten over Paulie.
“God wat is die Louis van haar een klootzak.” hoorde ik Allert vaststellen, “Anyway, wat je echt moet lezen is dit. Dit is een verachtelijke schrijver, maar hij kan wel een mooi verhaal vertellen…”
Ik was halverwege de tweede Wachttoren toen er iemand op de deur klopte.
“Coming,” riep ik. Ik hoorde Allert geloof ik zeggen “Wat , op mijn wc?” maar misschien ook niet want ik trok snel door.
“Hallo,” zei ik in de deuropening.
“Ik hoor zojuist dat je Jacob hebt aangemoedigd om Chiara ten huwelijk te vragen,” zei Allert met een grote grijns.
Ik staarde hem aan. Allert knikte.
“Ja…kansloos.”
“Zei hij dat ik- Vader vergeef hem, hij weet niet wat hij zegt- ik verstond hem niet eens. Ik hoop dat hij dronken is.”
“Nee,” zei Allert, “alleen wat simpel.”
Ik keek naar Allert op. Hij hing daar een grote kop groter dan ik, met zijn veel te lange donkere haar en zijn scherpe gezicht en hij keek grijnzend terug.
“Jacob moet eens gepepen worden door een lief CDA-meisje,” zei hij.
Ik keek schichtig om me heen, bijna giechelend. Daarna zwegen we even tegen elkaar.
“Ik wil naar de wc, Tam,” zei hij toen, en ik liep blozend terug naar de keuken.
Het was later en leger er waren al wat mensen naar huis, maar Hanna en Chiara stonden nog in de hoek met de sterke drank.
“Ben je er weer?” zei Hanna.
“Wat een toestanden zeg,” zei ik, “zag je Paulie weggaan?”
Chiara gaf me een glas whiskey en we klonken.
“Op de familie van Rooyen,” zei ze, “op Paulie en haar klootzakken, op Allert en zijn whiskey en op Rutger die echt gek is.”
“Maar hij houdt wel oprecht van telescopen,” zei Hanna, en hief het glas.
Zondag Prozadag: Allert geeft een feestje I
28/02/2010
¶ Met enige schroom is het dat ik dit stuk proza op Ralloblog plaats. Dit is deel eén van een langer stuk, waarvan ik onder de naam “Allert geeft een feestje” een aantal zondagen een stukje zal posten. Now you keep in mind that I’m an artis’, an I’m sensitive about my shit!
Allert geeft een feestje I
Natuurlijk ging ik naar Allerts feestje; iedereen ging naar Allerts feestje. Hij deed de deur open en trok me binnen, gaf me drie klapzoenen en wapperde in de richting van de kapstok. Zijn gezicht was vriendelijk en alert. Hij opende mijn pakje heel precies, plakbandje voor plakbandje, zijn haar kwam in zijn gezicht gezakt maar hij veegde het niet weg en brulde zijn grote lach toen hij mijn cadeau zag.
“Ik weet niet of je hem al hebt…” begon ik, maar hij gaf me weer drie klapzoenen en beloofde dat hij meteen de volgende dag zou beginnen met lezen, Rituelen van Nooteboom, precies wat hij nodig had, Tamar je bent een vrouw uit duizenden. Hij ging me door de ijskoude gang voor naar de keuken, waar het loeiheet was. Pak wat te drinken.Toen ging de bel weer en hij rende naar de voordeur. Ik keek om me heen en probeerde me te oriënteren in het weinige licht, maar net op dat moment keek Rutger me aan en knikte. Ondanks dat ik wist dat zijn blik niet per se uitnodigend bedoeld was ging ik naast hem zitten in de vensterbank, met mijn voeten op het deksel van de vuilnisbak.
“Hai,” zei ik.
“Hallo,” zei hij.
“Gefeliciteerd met Allerts verjaardag,” zei ik.
Hij haalde zijn schouders op. Pakte een pakje shag uit zijn borstzak en bood me een voorgedraaide sigaret aan.
“Eh – dank je wel,” zei ik, God weet waarom maar ik nam hem aan, “m’n eerste peuk in vijf jaar.”
Hij keek me ongelovig en triomfantelijk aan en ik besloot deze sigaret op te roken al werd het mijn dood.
We waren in een grote keuken met overal mensen. In een hoek speelde een ouderwetse stereo iets wat ik niet goed kon horen. Aan de tafel midden in de kamer klaverjaste een groepje filosofen en om de tafel heen dreven losse mensen. Rutger en ik zaten in het hoekje bij de koelkast, maar omdat het meeste bier op het binnenplaatsje stond en de rest van de drank bij de stereo zaten we relatief rustig.
“Hoe is het met jou?” vroeg ik. Rutger rommelde wat in de koelkast en gaf me een pijpje.
“Mwah,” zei hij, “m’n artikel schiet niet op.”
“Waarover schrijf jij een artikel?”
Hij keek me aan alsof ik een geintje maakte.
“Over telescopen.”
“Oh,” zei ik. Ik inhaleerde diep en deed alsof ik niet genoot van mijn sigaret.
“Dat hoofdstuk van mijn proefschrift,” zei Rutger, “dat gaat over telescopen.”
“Oh,” zei ik, “maar wat heeft dat met je artikel te maken?”
“Mijn art-tikel,” zei hij, stotterend van afkeuring, “mijn art-tikel is een hoofdstuk van mijn proefschrift.”
“Oh,” zei ik weer. Ik hield me maar vast aan mijn sigaret.
“Maar het gaat dus niet goed met je artikel,” zei ik.
“Eigenlijk met m’n experiment,” zei hij, en terwijl hij praatte (…spiegels, gaswolken, computers…) veranderde zijn gezicht. Hij had diepliggende bruine ogen, zoals Allert (…pulsen, zoals zilverfolie op de v-vullingen van je kiezen, weet je wel?…) en hij keek me vanuit zijn scherpe smalle gezicht verwachtingsvol aan, stotterde enthousiast (…want ik kan dat met een goede-goede vijf procent opschroeven denkkikik…) en gesticuleerde met zijn handen, sigaret en pijpje inbegrepen. Zijn korte efficiënt gefatsoeneerde haar probeerde uit puur enthousiasme los te komen uit de greep van de gel.
Ik rookte mijn sigaret op en pakte twee nieuwe pijpjes, en ik probeerde af en toe een vraag te stellen. Verspilde moeite.
“Jeetje,” zei ik, toen hij eindelijk naar adem hapte, “wat interessant.”
Hij keek me streng aan en zei:
“Ik ben iets echt nieuws aan het doen.”
“Jeetje,” zei ik, “en wat ga je doen als je klaar bent?”
“Naar Chili,” zei hij, “er is daar iemand die onderzoek doet naar -” een paar mysterieuze bijzinnen volgden “en ik denk dat ik d-daaraan kan bijdragen.”
“Ah.”
We zaten in de vensterbank en namen een slok van ons bier. Rutger bood me een tweede sigaret aan die ik weigerde. In de ene hoek stond een groepje mensen vage dansbewegingen te maken bij de stereo. Op de bank zaten Hanna en Chiara, ze wierpen me medelijdende blikken toe, maar ze deden geen pogingen me te bevrijden.
“Wat ik ga doen hangt eigenlijk af van hoe het met Allert gaat,” zei Rutger ineens.
“Hoezo? Waarom? Wat is er mis met Allert?”
“Nu n-niks,” zei Rutger, zijn gezicht had zich weer gesloten en hij staarde onbewogen naar de klaverjassers.
“Eh, hoezo?” vroeg ik weer, “Wat is dat voor duistere hint?”
“Dat is geen d-duistere hint,” zei hij, “ik dacht hardop.”
Door zijn wolk sigarettenrook keek hij me veel langer aan dan ik prettig vond. Zo fronsend leek hij heel erg op Allert en ik vroeg me ineens af waarom ze samen in eén huis woonden. Ze waren misschien broers, maar zo graag mochten ze elkaar ook weer niet.
“En hoe is het met jou?” vroeg hij, nog steeds naar me starend.
“Oh, goed,” zei ik, “ik heb even een studiedip, maar dat is niet zo ernstig.”
“Hm,” zei Rutger streng. Hij dronk zijn pijpje leeg, drukte zijn peuk uit en vroeg wat ik nou eigenlijk wilde met zo’n studie als Engels. Ik kreunde hardop.
“Ik vind de taal gewoon leuk,” zei ik.
Rutger keek me aan alsof hij me zojuist Sanskriet had horen spreken.
“Hee,” zei ik resoluut, “is dat je zus, ik moet haar even gedag zeggen hoor.”
Rutger fronsde nog steeds maar maakte een overwacht hoffelijk gebaar met zijn hand, en ik maakte me uit de voeten.