Kasteel
23/10/2011
Diertjes
07/05/2011
Naomi naar bed brengen is de afgelopen twee jaar steeds omslachtiger geworden. Waar het ooit begon met haar van de borst af te halen, wachten tot ze ging gapen, en in haar bed leggen, werd het uitgebreid met het spooklampje, het speentje, de liedjes, en tandenpoetsen en voorlezen en allerlei dialogen en handjes vasthouden en bij haar blijven tot ze slaapt (of tot we er genoeg van hebben). Recentelijk is daar ook magisch denken bij gekomen.
Dat begon, natuurlijk, met een nachtmerrie. Twee nachtmerries om precies te zijn. Toep werd gillend wakker omdat er DIERTJES waren. In haar kamer. DIERTJES! DIERTJES!! en nog meer DIERTJES!!! Twee nachten achter elkaar kwamen de diertjes, ze trilde en gilde en moest geknuffeld worden voordat ze tot rust kwam, en daarna was ze klaarwakker en we vonden het zielig voor haar maar we wilden ook gaan slapen; de narigheid was niet te overzien.
De derde avond kwam Naomi zelf met een oplossing.
“ Blijf je bij me?” vroeg kleine Toep, zoals elke avond.
“ Natuurlijk lieverd,” zei ik.
“ En jaag je dan de diertjes weg?”
“ Natuurlijk lieverd!” zei ik.
( Hogere machten, m/v, indien jullie bestaan en indien jullie een hand hebben in mijn leven, bad ik terwijl ik het meisje in haar pyjamaatje hielp, dank U voor dit heerlijke, heerlijke kind en de heerlijke hersentjes in dat heerlijke hersenpannetje. En ook alvast bedankt voor de nachtrust die deze maatregel ongetwijfeld gaat brengen.)
Toep klom haar bedje in, sprong even heen en weer, liet me zogenaamd woedend tellen tot drie en ging toen liggen in haar slaapzak. Zoen op het wonderneusje, aai over de haartjes.
“ Ga je nu de diertjes wegjagen?”
“ Zeker, dochter,” zei ik, “ nu gaan we de diertjes wegjagen.”
Ik deed het licht uit, schoof het gordijn voor het deurgat weg en keek streng.
“Diertjes!” riep ik, “ het is tijd om weg te gaan. Naomi kan niet slapen als jullie er zijn. Weg hier! Hee, jij daar, achter de commode! Weg! Ga maar naar beneden. Marcel doet zo de deur voor jullie open.”
“ Wat doen jullie?” Marcel stak zijn hoofd door het trapgat.
“ Ik jaag de diertjes weg, duh,” zei ik.
“ De lieve diertjes niet,” zei Naomi.
“ Nee, de lieve diertjes mogen bij mama in bed.”
“ Gezellig,” zei Marcel, ” maar ik ga nu even de deur opendoen voor de diertjes. ‘Truste Toeps.”
Hij grijnsde even en ging weer naar beneden.
“ Mama,” zei Naomi. Ze pakte mijn middelvinger, want daar zit mijn ring en dat is belangrijk.
“ Ja, lieverd?”
“ Maar, maar, als de diertjes komen, dan ga ik jou roepen.”
“ Of papa,” dekte ik mezelf in.
“ Nee, jij,” zei Naomi. Ze schoof wat heen en weer, draaide aan haar haartjes en begon gelijkmatig te ademen.
“ Dank je, lieverd,” zei ik.
En bedankt, hè, hogere machten. One out of two ain’t bad.
Zandbak
10/04/2011
Het is de eerste echt warme dag van het jaar, en Naomi en ik gaan zonder jas en met onze slippers naar de speeltuin. Het is druk en Naomi is geïntimideerd, maar ze laat mijn hand los en stapt dapper naar de zandbak. Daar zitten al drie grote meisjes in, ze sjouwen met emmers en gieters van de pomp naar de zandbak en ze maken een grote plas waar ze met twee benen tegelijk in springen.
Naomi staart naar de grote meisjes.
“Wil jij ook in het water, Toep?”
“Nee,” zegt Naomi zachtjes.
“Echt niet?”
“Nee. “
Ze pakt een schepje en een vormpje en ze klimt in het droge stuk van de zandbak waar ze zachtjes babbelend in de weer gaat. Ze blijft kijken naar de drie grote meisjes en de grote plas.
Na een tijdje probeert Naomi haar sandalen schoon te maken. Dat heeft echt enorm weinig zin.
“Toepje, doe je sandalen maar uit.”
Ik zie de toepehersenen werken. Sandalen…uit….
“Mijn panty ook uit,” zegt ze, nog steeds zacht maar met een ondernemend glimlachje.
“Dat is goed,” zeg ik.
“En mijn rokje.”
“Hou je rokje toch maar aan liefje.”
We smeren samen haar beentjes in. Dan stapt mijn dochter, behoedzaam maar vastbesloten, naar de natte kant van de zandbak. Ze kijkt me blij aan en maakt een sprongetje. Mis. Vanuit stand maakt ze nog een sprongetje en nu is het raak, ze belandt met beide beentjes in de plas. Dat smaakt naar meer en ze begint de mogelijkheden te verkennen – vanaf hier springen, vanaf daar springen, door de plas rennen… Ze is me binnen drie minuten volledig vergeten.
De dynamiek van de zandbak is de dynamiek van de wereld. De drie gratiën gaan voortvarend maar weinig systematisch te werk, en worden op gegeven moment gemanaged door Timo die ter plekke een zandtoren-competitie opzet compleet met teams en regels, en hemzelf als presentator, jury, commentator en notaris. Timo wordt opzij geschoven door Daan, die op zijn beurt besluit de zaken nòg professioneler aan te pakken, en de king-size graafmachine de zandbak in hijst, waarna hij een gracht begint te graven waar een professionele grachtengraver zich niet voor zou hoeven schamen. Het hele roedel buurtkinderen (Angel, Soraya, Tyler, Kelly, Gijs…) springt erbij en gaat mee doen en wordt nat en vies. Iedereen gilt tegen elkaar.
En in het oog van de storm staat Naomi. Ze doet haar eigen ding. Haar benen plakken vol zand, haar snotneus zit vol zand, haar mouwen zijn doorweekt; haar pad is helder en haar concentratie volmaakt. Ze stopt af en toe en bekijkt kalmpjes het pandemonium voordat ze doorgaat met haar werk.
Kinderen zijn vampiers en kannibalen; de drama’s, het gemanipuleer, de pacten en de uitsluiting, de narigheid, als ik er aan terugdenk trekken de spieren in mijn schouders samen. Naomi heeft er geen last van. Om haar heen woeden en razen de Hunnen en zij blijft haar gang gaan. Misschien is het omdat ze zo klein is, niemand heeft er iets aan om haar naar hun pijpen te laten dansen. Misschien zijn deze kinderen aardiger dan de kinderen in mijn oude buurt (onwaarschijnlijk…).Mischien is het omdat Naomi geen immigrantenkind is. Misschien is het omdat Naomi zeker is van zichzelf en haar eigen tempo bepaalt. Het kan allemaal en het zal allemaal wel.
Ik heb een schommel opgezocht en vanuit de verte zie ik het smoezelige roze figuurtje tussen de Justin Bieber t-shirts en de stoere zwarte trainingsbroeken en ik ben blij en trots en ook bang. Naomi niet.
Naomi is niet bang.
Grip op de aap
04/03/2011
Ik wil het vandaag hebben over mijn hormonen. Net als jullie die mijn lezers zijn heb ik er vele. De meeste doen hun werk onder de radar, en met hen heb ik geen probleem. (Wat niet weet wat niet deert, zeggen de bewoners van mijn amygdala wel eens.) Een paar soorten daarentegen, die stammen uit de tijd dat de rat ons dichtstbijzijnde familielid was, doen dingen waar het deel van mij, dat in hele zinnen praat, naar kijkt terwijl het mompelt: ” Ja maar, zo bedoel ik het niet… Oh nee, dat was niet de bedoeling…”
Met de aanvang van mijn seksleven kwamen die rakkers lekker op stoom, maar het lijkt erop dat de geboorte van Naomi, pak ‘m beet achttien jaar later, hen een nieuwe impuls gegeven heeft. Soms is dat fijn. Soms is dat klote; en daarover, lezer, ga ik het vandaag hebben.
Neem nou de rush van Naomi tot de orde roepen. Ik geloof dat ik het voor het eerst ervaren heb op een middag in de zomer van 2009. Naomi kon nog maar net kruipen en het traphekje was zo nieuw dat we er nog niet aan dachten om het dicht te doen. Ik kwam aanlopen met god weet wat in mijn handen en daar kroop Naomi, welgemoed en opgeruimd in de richting van het uitnodigende trapgat. Ik kan heel hard brullen, en goed laag voor het maximum effect; en mijn brul van die middag zette de Sferen even stil. Gelukkig ook Naomi, die me aankeek met haar marcelligste gezicht en die toen welgemoed en opgeruimd terugkroop in de richting van de huiskamer. Ik was me de tandjes geschrokken, natuurlijk; maar wat ik me ook herinner is die rush, een vreemd en plotseling gevoel, dat het zo heerlijk had gemaakt om tegen haar te brullen. Vreemd, maar niet onoverkomelijk, aangezien ik er alleen maar op uit was geweest om Naomi van het trapgat weg te houden.
Intussen is Naomi bijna 2,5 jaar oud, en dat is oud genoeg om stout te zijn en te doen. Op zich zijn de regels bij de Rallotjes duidelijk genoeg, en zoals een ware vrouw betaamt is Naomi zeer gevoelig voor regels en Hoe Het Hoort; maar zoals het hoort bij een peutertje gaat ze over grenzen heen. Dan staat ineens de televisie aan of ze probeert het handvat van de koekenpan te pakken terwijl ik aan het koken ben (omdat het handvat niet warm is, legt ze me dan uit. Fair enough. Het is dan ook eerder de saucijs die me zorgen baart.). Ter plekke moet er dan een nieuwe regel verzonnen worden, en ik geneer me als ik besef met hoeveel graagte ik die nieuwe regel zo streng mogelijk formuleer. Okee, de soep wordt nooit zo heet gegeten &c, maar het voelt op dat moment zo goed om het kind te beknotten in wat ik in mijn rechtvaardige woede ervaar als haar astranterigheid. Voor haar eigen bestwil, ‘túúrlijk.
Erger is het, als ze weigert. Absoluut weigert. Wat dan ook. Daar is geen regel over te maken, daar kan ik niet tegenin redeneren, daar helpt alleen de Brul der Sferen. Ik vind het niet per se leuk om tegen het kind te gillen, dus vertwijfeld praat ik nog (best lang) op haar in. Popje, we hebben haast, we moeten echt naar de crèche en de juffies wachten op je. Dan kondig ik het naderend onheil aan: Naomi, ik wil erg graag dat jij (laten we zeggen:) je jas aantrekt; en bovendien (betekenisvolle blik) sta ik op het punt om heel erg boos te worden.
Deze opmerking kan twee effecten hebben. Na een kleine tweestrijd kan Naomi beslissen dat ze het opgeeft, want mama wint uiteindelijk toch altijd; of ze kan beslissen dat mama de pot op kan, haar jas aantrekken? daar heeft Naomi helemaal geen zin in, so there.
Al die tijd heb ik in de verte de jungle drums gehoord maar geprobeerd ze eronder te houden; maar dan voel ik ineens dat ik de intense, botdiepe ergernis niet meer aan kan.
Ik ga zo staan dat ik haar hele blikveld vul.
NU BEN IK BOOS, zeg ik, hard. (We hebben ook buren. Over hen denk ik niet na). NAOMI. NA-OMI, KOM HIER EN TREK JE JAS AAN. NU.
Het kind schrikt elke keer weer. Haar onderlipje trilt, haar ogen worden vochtig, en met bibberende knietjes trekt ze haar jas aan.
“Ik wil niet op de gang” zegt ze, ten overvloede.
Hoe erg is dit incident nou? Niet erg. Maar te beseffen (en hier in het openbaar te erkennen) dat het gevoel van macht dat ik ontleen aan deze strapatzen geniepig is en zelf-rechtvaardigend en volledig hormonaal- daar gaat mijn ego even van gloep. En, om het even erger te maken; als de rook om mijn hoofd is verdwenen besef ik ineens waarom mensen die technisch gesproken misschien wel goed bij hun hoofd zijn, doorgaan met het mishandelen van hun kinderen, en hoe ze dat rechtlullen voor zichzelf. Je macht gebruiken voelt goed, op een heel fysiek niveau. Het is de primaat in jou die zich lekker voelt omdat hij een onderknuppel te grazen kan nemen.
Godsamme, ik zit me echt de ogen uit mijn hoofd te schamen terwijl ik dit schrijf. Ik heb het hier over mijn eniggeboren dochter, het licht van mijn dagen en de liefste van de wereld. Het is walgelijk. En toch werkt het zo.
Ik heb bovenstaand gedrag een tijdje aangezien en nu heb ik er geen zin meer in. Als ik de jungle drums hoor roep ik Marcel erbij (die een veel grotere hoeveelheid Flegma der Orient™ heeft dan ik). Als ik de jungle drums hoor en Naomi en ik zijn alleen, dan zoek ik soelaas in een straffe wandeling in de richting van koffie verkeerd met tweederde cheesecake voor mij en aardbeiensap met eenderde cheesecake voor Naomi. Ongecontroleerde woede is onder mijn familieleden (allen primaten…) een bekende kwaal, maar ik zit er bovenop. Ik ken mijn hormonen bij de voornaam, ik weet waar ze wonen. Als ze zich misdragen, dan bel ik hun moeder.
Het speenloze tijdperk
27/01/2011
Door allerlei toevalligheden is Naomi al een tijdje van haar speen af. Marcel en ik vonden de rubberen zuigunit wel practisch, de procedure voor nachtelijk geween werd er erg overzichtelijk van:
AAAARGH -
Speen zoeken -
Speen vinden -
(Afspoelen optioneel) -
Speen in snavel stoppen -
Tevreden driestemmig gesnurk.
Het is niet meer. Het doortastende optreden van de juffies van de crèche, plus het schrikbeeld van dingen als speencariës, een verkeerde mondstand en de daarmee samenhangende aftrek van IQ-, EQ-, karma- en Ouders-van-nu-ouderpunten haalde ons over. Het meisje is een paar dagen verdrietig geweest maar heeft zich bij het onvermijdelijke neergelegd; een heel enkele keer bij grote emotie of fysiek ongemak wil Naomi nog wel eens om haar speen vragen. Wij doen dan niet moeilijk, het leven is voor iemand van twee jaar en vier maanden al zwaar genoeg.
Het gevolg namelijk van het aanbreken van het speenloze tijdperk is dat Naomi thuis geen middagslaapje meer doet. Dat rustige anderhalf-uurtje dat Marcel en ik tijdens onze Naomi-dagen besteedden aan opruimen, de e-mail bekijken of simpelweg de krant lezen; het is verdwenen. Als sneeuw voor de zon, om het maar dramatisch te zeggen.
Dat viel de eerste paar weken niet mee. Rond 15.30, het tijdstip waarop we vroeger een geheel verkwikte toep uit haar bedje visten, begon iedereen sjaggereijnig te worden. We hebben dan al gepuzzeld, we hebben al een stuk of tien boekjes gelezen, we zijn naar de speeltuin geweest- wat nu? Naomi gaat zeuren van moeheid, ik word onredelijk en streng van ergernis (en er is maar weinig strenger en onredelijker dan een strenge en onredelijke en geërgerde Rallo). Ik vind gillen tegen Naomi niet leuk en los het dus maar op met wat afleidingsmaneuvres; een kwartiertje Teletubbies, een mandarijn, boodschappen doen, een sessie met haar eigenste roze schaartje. Meestal helpt het. Vaak betekent het gewoon dat het gezanik wordt doorgeschoven naar de vroege avond, maar dat zien we dan wel weer.
Marcel daarentegen heeft, zoals het een man betaamt, een technologische manier gevonden om de dag door te komen. Naomi en hij gaan op zijn Naomi-dagen verdacht vaak juist rond 15.00 uur met de auto naar Oma Poes in Den Haag. Ik wil maar zeggen. Wie op zoek is naar een illustratie voor het woord “smug” die nodig ik bij deze uit om eens een foto te nemen van Marcels snuitwerk als hij aan het einde van zo’n dag uit de auto stapt en zegt:
” Ze heeft anderhalf uur geslapen.”
De Boeddha en het kerngezin.
06/01/2011
Naomi’s lievelingswoord van dit moment is NEE, op de voet gevolgd door OMI WIL NIET. Wat dan ook, wanneer dan ook. ( Gelukkig niet alles altijd- ze laat ons tussendoor vaak uren van rust.) Dat veroorzaakt hele nieuwe vormen van narigheid en ook hele nieuwe inzichten in het leed dat kerngezin heet.
Zo zaten wij vanmiddag aan de lunch en Naomi wilde losse stukjes kaas. Een nieuw jaar, een nieuw pedagogisch begin; bovendien had ze nog niet veel gegeten en er moest eerst wat bodem in het toepemaagje.
Eerst een boterham, dus.
Nee, Naomi wilde losse stukjes kaas.
Eerst een boterham.
NEE!
Naomi, eerst een boterham, dan een stukje kaas.
OMI WIL NIET BROTERHAM!
Dat is jammer, Naomi. Eerst een boterham, dan…hee, wat doe je daar! (Ze begon dingen van tafel te gooien. Ik hield haar tegen en zette alle verleidingen buiten haar bereik.)
OMI WIL KAAS!!
Nee, Naomi, eerst…
Naomi’s mond werd een rechthoek, grote tranen dreven langs haar mondhoeken en ze brulde het geluid dat gewoonlijk wordt geschreven als WAAAAAAH. En toen gebeurde het. Gesteld dat ik hier de Enemy of the People was, en dat ik Naomi haar rechtmatige stukjes kaas onthield; bij wie had ze dan troost moeten zoeken? Ik persoonlijk zou denken bij Marcel, die zich gedurende dit deel van de discusie afzijdig had gehouden. Niet dus. Naomi strekte haar armen naar mij uit. Ze klom bij me op schoot en ze bleef bij me zitten tot ze klaar was met huilen.
Ik durf niet zo goed te beseffen wat deze episode betekent, maar ik probeer het even. De toestand was te triviaal voor woorden; kind wil iets, mama verbiedt het. Maar ik overzag ineens de immense verantwoordelijkheid die ik heb voor mijn dochter, een beetje zoals de Boeddha ineens wist Hoe De Vork In De Steel Zat tijdens zijn moment van verlichting. Naomi heeft, voor zover zij weet, helemaal niemand anders dan ons, dan Marcel en mij: in geval van nood komt ze bij ons schuilen, want ze kan nergens anders heen.
Voor wat ik vanmiddag ervaren heb is maar eén woord, of eigenlijk twee. Jezus Mina.
De maagd en de feminist.
23/12/2010
” Dit is het moment,” zei G, “om je te vertellen hoe ik tot man gemaakt ben.”
We zaten in een klein bruin koffiehuis en schuilden voor een hoosbui, G, Toep en ik. Het was een warme, sombere zomerdag en de hemelsluizen waren die dag nog niet gesloten geweest.
” Ik ben de enige man hier, ” had G gezegd, toen we net zaten.
Ik keek om me heen: eén meisje achter de bar, eentje ervoor, eén bij de broodjestoonbank en eén in een hoekje met de krant. En Toep en ik, natuurlijk. Hij had gelijk.
” Zelfs de kat is een vrouw.”
” Hoe weet je dat?” vroeg ik.
“Lapjeskatten zijn altijd meisjes.”
“Ah.”
G monkelde nog wat voor zich uit, ik gaf Toep nog een scheut appelsap en mijn koekje, en toen zei hij het.
” Dit is het moment om je te vertellen hoe ik tot man gemaakt ben,” zei hij.
Niet wat ik verwachtte te horen op een regenachtige zaterdagochtend. Eigenlijk wilde ik ook helemaal niet horen hoe mijn oom ooit ontmaagd was, net zomin als ik dat van pak ‘m beet mijn ouders of Maxime Verhagen wilde horen; maar als G eenmaal bezig is met een verhaal gaat hij door tot hij klaar is, of tot Armageddon begint, wat er eerst is. Ik deed dus niet eens een poging om te suggereren dat dit niet het moment was, maar bad dat de andere dames in het etablissement geen Italiaans spraken, en ik zette me schrap.
” Ik was 22. Dat was behoorlijk laat als je ervan uitgaat dat ik zeeman was vanaf mijn 17e. Ik had namelijk nooit naar de hoeren gewild.”
” Um,” zei ik. Ik pakte Gs koekje van zijn schoteltje. Hij keek afwezig naar de lapjeskat.
” Mijn collega’s vonden dat… – ik werd nogal eens uitgelachen, en er werden er ook een paar kwaad, maar ik wilde gewoon niet. Vond het een naar idee. Niet dat ik nooit in de verleiding ben geweest- er waren er twee in Marokko, die hadden een ogen, ze hadden het gemunt op mij en een vriend, en ze begonnen van alles voor te stellen en te suggereren, maar wij vertrouwden het niet. Ik ben nog steeds blij dat ik niet met ze ben meegegaan maar ik heb nog nachten liggen zweten bij de gedachte aan die twee.”
” Oh?” zei ik beleefd.
” Ja en dan had je nog die wat sjiekere hoer in Lissabon- je wist dat ze meer high class waren als ze je lieten douchen, en zelf hun condooms bij zich hadden. Deze wenkte me en ze maakte een praatje en ze was nog redelijk beschaafd dus ik dacht, weet je wat, ik ga haar veroveren. Dus ik zei, nee ik ga nu niet met je mee, maar ik neem je morgenavond mee uit eten.
Nee, zei ze, ik kan niet mee.
Hoezo? vroeg ik. Negentien was ik, hè.
Ik kan niet weg zei ze, met die grote bruine ogen vol saudade, ik moet werken.
En overmorgen?
Overmorgen moet ik ook werken.
Dat was het. Als ik ooit al met de gedachte had gespeeld om met een prostituée mee te gaan, dan was het dan en daar afgelopen. Ze was een slavin, en ik ging daar niet aan meewerken.”
” Ah,” zei ik. Toep zat wat te spelen met haar rietje, blies belletjes in de appelsap en knoeide op tafel. Ik wilde G niet onderbreken dus ik liet haar maar.
” Maar toen ik 22 was had ik genoeg geld bij elkaar om te gaan studeren, en het was augustus en ik had geen zin meer om te gaan varen. Ik hing een beetje rond, te wachten tot het academisch jaar begon. Toen werd ik gevraagd door een stel feministen – “
” Feministen? Op Sicilië?”
” Het was 1978, iedereen was toen feministisch. En ze hadden allemaal gestudeerd hoor, allemaal zelfstandige werkende vrouwen. Maar deze dames wilden een co-operatieve camping oprichten op Marettimo,en ze hadden een token male nodig als manusje-van-alles, ook omdat de plaatselijke bevolking het anders helemaal niet zou vertrouwen. Dus ik ging met de feministen naar Marettimo. Een camping opzetten is best geinig, en ik was natuurlijk padvinder geweest.”
” Hm-m?” zei ik. Toep was duidelijk best moe, maar ze vond het ook gezellig, en zat dus om zich heen te kijken en een beetje te kletsen over wat ze zag.
” En toen was ik daar twee weken geweest en toen kwam de opperfeminist. Ze was klein en blond, en ze was architect. We snuffelden wat aan elkaar en drie dagen later was het zover.”
Hij staarde nog steeds naar de plaats waar de kat had gezeten, maar die kwam naar ons toegelopen en kroelde langs de tafelpoot.
” Poes!” zei Toep blij.
” Het was geweldig. Ik was allang over het idee heengestapt dat je als man een sexgod moest zijn, dat doet vijf jaar op zee wel met je, en zij was…”
” Poes,” zei Toep, “aaien?”
” Hee, ja, Toep,” zei ik, ” laten we de poes aaien.”
Toep en ik gingen op de grond zitten en aaiden de poes. De poes legde zich genietend neer en liet het zich welgevallen, ook toen Toep naar haar staart greep.
“ Dat was mijn eerste seksuele ervaring. Nou was er in die groep nog een andere vrouw, en die wist het allemaal niet zo zeker, of ze eigenlijk wel van de mannen was, en die zag mij zo bezig, en ik was blijkbaar niet erg bedreigend of zo, en bovendien had ik het goedkeuringsstempel van de opperfeminist, en die andere knoopte dat goed in haar oren, en toen we weer op de universiteit waren, maanden later, toen klom ze bovenop me.”
” Nee, Toepsje, niet aan haar oortjes trekken liefie. Dat vindt de poes niet prettig,” zei ik.
” Maar het was vrij snel duidelijk, zij was niet van de mannen en de mannen niet van haar. Ik heb er nog een tijdje mee gezeten hoor, was het mijn schuld, had ik iets verkeerds gedaan? Maar het moest gewoon zo zijn. En dat was mijn tweede seksuele ervaring. Een wereld van verschil. “
G zweeg en keek nadenkend voor zich uit. Ik zette me weer schrap.
” A tabbycat,” zei hij, ” dat zijn altijd meisjes.”
Godlof, hij was opgehouden.
” Hee, het regent niet meer,” zei ik, ” zullen we verder lopen?”
” Ja,” zei G.
” Spetteren in de plas,” zei Toep, ” met de voetjes?”
” Maar dit was dus het verhaal van hoe ik man werd,” zei G, vriendelijk lijzig onverstoorbaar, met een laatste blik op het koffiehuis, ” tegen alle zeemanstradities in ontmaagd door een feministische architect.”
Ik zei niks en hees Toep in haar regencape. Het was een mooi verhaal, en ik was in elk geval niet deelachtig gemaakt aan de intieme geschiedenis van Maxime Verhagen. Dat was wel een zonnestraaltje op deze regenachtige dag.
Groene kots
16/12/2010
Pop Gunneke heeft een vriendelijke, wezenloze uitdrukking op haar plastic gezicht; maar soms neemt Marcel bezit van haar en dan komt Bitch Gunneke in haar boven. Met name het snoephartje van Naomi moet het ontgelden. Keer op keer wordt het hartje dat Naomi al een half uur in haar hand houdt, gestolen en opgesmikkeld. Naomi, anders niet on-assertief als het gaat om snoephartjes, laat het over zich heen komen: ze weet dat rechtvaardigheid zal geschieden. Na een hartje of vijf wordt Gunneke namelijk misselijk.
” Bleurgh,” zegt ze, ” bleurgh, Naomi, ik ben misselijk.” (Ineens klinkt haar stem als Ome Henk, ik weet ook niet waarom.)
De mondhoeken van Naomi de harteloze beginnen dan al omhoog te krullen, want ze weet wat er komt.
” Kotsen!” roept ze enthousiast.
” Bleurgh,” kreunt Gunneke.
” Niet op mij kotsen,” zegt Naomi.
” Bleurgh,” zegt Gunneke, en ze kruipt in de richting van Naomi’s schone roze broek.
” Niet op mij kotsen!” roept Naomi weer, maar het kwaad is geschied.
” Blaaaargh!!” zegt Gunneke, ” Bweeeeeeeerk! Breueueueueueueu!”
” Groene kots! Nog een keer!” zegt Naomi, en ze haalt haar snoephartje tevoorschijn.
(Marcel zit er vreedzaam naast en weet van niets.)
Je zou kunnen denken dat Naomi zo dol is op de spuug-sessies van Pop Gunneke om het kwaad te bezweren, een beetje zoals de mensheid in het algemeen naar akelige films over kindermoordenaars, kannibalen en zombies kijkt in de hoop dat het onszelf niet overkomt. (Toch grappig dat bij het kijken naar zombiefilms iedereen zich identificeert met de overlevenden, terwijl de kans toch veel groter is dat jij & ik tot de zombies zullen behoren, qua statistiek zijnde. Maar dit terzijde). Zoals bij het meeste magische denken beperkt het heilzame effect zich tot Naomi’s psyche; want haar lichaampje heeft gisternacht een aantal spuugsessies gehad waar de zombies geen brood van lusten.
Om een uur of vijf was de rust weergekeerd, het bed was verschoond, de slaapzak vervangen, het hopmarjannekestroopintkanneke-lampje verspreidde zijn geruststellende licht, en ik lag naast Naomi’s ledikantje om haar handje vast te houden tot ze sliep.
” Omi moest kotsen,” zei Naomi.
” Spugen, lieverd,” zei ik, half in slaap.
” In bed. En op de kamole.” (Prijsvraag: wat is een kamole?)
” Hm-m.”
” Papa heeft kots opgeruimd.”
Tijdje stil.
” Omi heeft gekotst. Ook in het doekje.”
” Gespuugd, toep.”
Tijdje stil.
” Daarna knuffelen met mama. Mama kijkt naar mij?”
” Ja, lieverd,” mompelde ik, ik opende een oog om te zorgen voor een miniem waarheidsgehalte, ” ik kijk naar jou.”
” Omi moest kotsen.”
Tijdje stil. Uit het bed klonk het swisj-swisj van een draaiend kind.
” Geen groene kots, ” stelde Naomi vast, “ gele kots.”
Dat was blijkbaar een rustgevende gedachte. Swisj swisj, diepe zucht, en toen was het stil.
Papa Olifant is een sexist.
25/10/2010
Omdat ik een sucker ben voor tradities, of ze nou echt zijn of voorgenomen, ben ik in de afgelopen Kinderboekenweek met Naomi naar de boekhandel gegaan. ( Bijkomende jolijt: in de Kleine Wereld van Naomi gaan ouders altijd Boeken Verkopen. En nu ging zij eens Boeken Kopen met mama. Ze was zeer onder de indruk.) Prentenboeken, daar moeten we het momenteel van hebben; boeken met veel kleur, een minimaal verhaal, en een liefdevolle clou. Tijgertje valt in slaap in de armen van Mama Tijger, de taart wordt gered, Muis loutert zijn woede door een half uurtje stokstijfstilstaan; dat werk. Dat soort boeken zijn er in alle soorten en maten,varierend van prachtig mooi tot liefdeloos slecht, en van zeer sympathiek tot ronduit vervelend. Je hebt ook nog de incongruente variant, waarbij het verhaal tja-tja is maar de tekeningen fantastisch, of andersom. Dat maakt de keuze voor een mooi boek best lastig, vooral voor iemand van twee jaar oud; als ik Naomi was dan zou ik in een boekhandel op zoek gaan naar iets dat ik al kende. Naomi, die wel vaker bewezen heeft dat ze Gekke Henkie niet is, deed precies dat. Ze pakte een boek van een stapel, giechelde “Olifanten”, en duwde het ferm in mijn hand.
Daar was ik al bang voor. De Wiebelbillenboogie, van Guido Van Genechten. Diepe zucht.
De Wiebelbillenboogie is een gezellig boek, geschilderd in de frisse, ronde vormen die we van Van Genechten gewend zijn. Het is een genoegen om naar al die lieve dartelende ronde blote olifantenbilletjes te kijken. Met name het kleine olifantenbroertje is om op te vreten in zijn bolle circa-eenjarige olifantenbaby-heid. Enfin, op de tekeningen en de uitstraling van dit boekje heb ik niks aan te merken, echt niet. Alleen als ik het verhaal lees dan gaan mijn kieuwen rechtop staan. Dat gaat namelijk somethin’ like this:
Mama Olifant gaat in haar mantelpak op pad. Papa Olifant en de kindje-olifantjes (zoals Naomi hen noemt) blijven in hun pyjama thuis. Papa zorgt voor de kindje-olifantjes zoals hij alleen kan. Hij gooit hen in de lucht, ze spelen Zwartvoet-indianen door zich te verkleden en hun voeten zwart te verven, ze roosteren bananen (op dit moment in het verhaal begon ik te vermoeden dat ze dat midden in de huiskamer doen), en daarna gaan ze met z’n drieen in bad. Papa spuit de kindje-olifantjes en de hele badkamer nat. Dan dansen ze gedrieën de Wiebelbillenboogie en hebben ze de grootste pret. Maar zie, daar komt mama plots thuis! Ze zegt “O nee, wat een bende!”. Vermoeid zijgt ze in een stoel neer, waarna man en kroost de Wiebelbillenboogie voor haar dansen; mama Olifant moet ook erg hard lachen en alles is weer goed.
Wat doet mij hier zuchten, vrienden? (Ik zou er bijna een prijsvraag van maken.) Onder andere de manier waarop papa neer wordt gezet als de gezellige pipo die met zijn kinderen dolt zonder na te denken over vermoeiende zaken als opruimen. Dat is tot daar aan toe; maar het is overduidelijk dat mama vooral oog heeft voor de bende, ergo: een dag met haar zou er héél anders uitzien (lees: saaier). Voor de duidelijkheid: als er hier in huis met nattigheid of verf gespeeld wordt dan komt dat uit de koker van moeders, want vaders heeft op dat gebied niet zoveel verbeelding. En als mama weg is (voor haar werk of zo) en daarna afgepeigerd thuis komt, dan heeft papa best leuke dingen met Naomi gedaan, maar hij maakt er zelden zo’n infantiele bende van als Papa Olifant in dit boek. Ik wil maar zeggen, elke individuele ouder houdt er zijn eigen voorkeuren op na, er zijn saaie mama’s en blije papa’s en andersom in allerlei mengsels soorten maten en varianten. Dit boek werkt echter vanuit het cliché dat van papa alles mag want papa is eigenlijk ook een half kind. En dat, vrienden, vind ik ongeëmancipeerd. Het moet mogelijk zijn om een boek te maken waarin een ouder en een stel kinderen grote pret hebben, zonder dat ik me onbehaaglijk begin te voelen over wie de schoensmeer straks uit het hoogpolig tapijt van huize Olifant mag gaan schrapen.
De Wiebelbillenboogie is Prentenboek van het jaar 2010. Naomi vindt het een geweldig boekje en het liedje van de Wiebelbillenboogie (op de wijs van Blue Suede Shoes) is een grote hit en het olifanten-vingerpopje dat bij het boek zat ook, en ik ga de bevrijdingstheologie niet prediken tegen klein meisje met staartjes in roze leggings en een paars jurkje. Maar de boodschap van dit boek ergert me. En nu weten jullie ook waarom.

