Goed. Coming-out moment nummer twee van dit voorjaar: ik vind het leuk om op Twitter & Facebook actief te zijn.  Het appelleert aan het gezelligheidsdier in mij. Facebook doet me erg denken aan vroeger, oneindige avonden in het café met een enorme hoop studenten, en ouwehoeren maar.  Zo’n avond waarop je relatief makkelijk kon aanschuiven bij groepjes of losse mensen, en gesprekken die bestonden uit kwinkslagen & af en toe een langer verhaal, dat soms zomaar ineens ergens over ging. Zo is Facebook, en ik vond het toen in 1996 live leuk, en ik vind het nu virtueel ook leuk. Twitter daarentegen is een prikbord vol one-liners. @margaretatwood laat weten dat het einde van de ecologie nabij is,@broerM brengt een usability-goeroe onder de aandacht, @themime  heeft ook weer  drie puntjes uitgepoept, @donderhart uit zijn artistengemoed – en na het lezen van de oneliners van @vriendD, @vriendinA, @vriendJ,  @groeneW, @PoweRRwoman en @Mofblijftmoftothijweerthuisis ben ik weer helemaal op de hoogte en log ik uit.

Ondanks de leukte heb ik ook wel mijn bedenkingen. Ik heb mijn paranoia betreffende Internet al een keer geuit op dit blog, en ik kan niet zeggen dat het minder geworden is. (Een beetje vreemd eigenlijk, voor iemand die de staat van heur lichaamsbeharing vrij gedetailleerd op het Internet heeft gezet. Dat was voor het goede doel zullen we maar zeggen.) Als ik, pak m beet, het volgende tweet: Mijn werkgever is een nare oude vrouw die haar werknemers (m/v) in de billen knijpt, en ze stinkt ook nog. Weet iemand nog een leuke baan? #durftevragen; dan staat het er. Voor eeuwig. Ik kan het weg proberen te halen, maar ergens in the Murk staat het geschreven, en ik kom er nooit meer vanaf. Papier kan ik verbranden, en de meeste mensen zijn kort van geheugen, maar iets wat geweest is, digitaal gesproken, is zelden ongedaan te maken.

Afgezien van paranoia bekruipt me soms hetzelfde gevoel dat me na drie, vier jaar uitbundig café-bezoek overviel. Die korte gesprekken en al die mensen die je eens per week ziet – waar gaat het allemaal over? Dat @larallo haar vinger heeft gesneden aan een boek van Alberto Manguel is natuurlijk rot voor haar (ik heb er nog steeds last van, dank je voor het medeleven), maar echt boeiend is het natuurlijk niet, op kosmische schaal. Laat staan de vermoeiende mogelijkheden van Facebook: spelletjes, testjes, Dagelijkse Quotes van Oscar Wilde (is best leuk…) maar ook van Lady Barbara de Waarzegster. #Bleurgh. Ik heb de “Verbergen”-knop op Facebook gevonden toen ik na drie weken onder ogen moest zien dat nicht Naamgenootje echt alleen maar tegelwijsheden plaatst, met bijhorende foto’s en filmpjes van grootogige poesjes en hondjes en babies en AAAAAAAARGGH!!  (Nog bedankt voor de tip, buurFrouk.)

Bovendien heeft regelmatig contact op Internet alleen tot innige verknochtheid geleid met mensen aan wie ik toch al verknocht was. Ik heb wel heel aangename contacten gelegd met mensen die ik echt nog nooit gezien heb, maar dat blijft toch aan de oppervlakkige kant. Is dat omdat ik Internet op beperkte wijze gebruik? Ik weet het niet, maar via een gedachtensprong kom ik uit bij de koningin.  Zoals jelui weet heeft ze in haar nieuwjaarstoespraak een leven vol emotionele afvlakking in de ijzige kou van cyberspace voorzegd aan iedereen die zijn/haar vriendenkring cultiveert op Internet. Laten we de allengs diepere kloof die het koningshuis scheidt van de normale mens buiten beschouwing laten, en het feit dat emotionele afvlakking de default option is van de meeste individuen;  want verder heeft ze wel een punt. Ze legt de vinger op een zere plek van sociale netwerken die vooral in het oog zal springen van een buitenstaander (en dat is de koningin); de devaluatie van het begrip “vriend”. Contact of volger is een veel betere term voor de snippers aanwezigheid op het scherm; voor vriendschap heb ik meer zintuigen nodig dan alleen mijn ogen (en eventueel mijn oren).  De majesteit is echter vergeten zich af te vragen of de Facebook-gebruiker en Twitteraar weet hoe de vork in de steel zit, kontakt-technies.  Ik denk namelijk dat de meeste volwassenen op sociale sites een duidelijk idee hebben van het soort contact dat ze hebben en maken op zo’n site.  (Nota bene; dit hele verhaal gaat over consenting adults. Hoe dat gaat onder jongeren weet ik niet. Lach me niet te hard uit: ik kom er snel genoeg achter.)

And now the punchline. Ik weet niet of ik dit stukje kan voorzien van een afdoende punchline. Dit zijn mijn indrukken na een half jaar Facebook- en Twittergebruik, en op deze manier bezorg ik mezelf een mooie gelegenheid om over een half jaar een vervolg-post te schrijven. Tot dan geldt, dat ik met die onelinermachine die in mijn hoofd zit op voornoemde gremia precies op mijn plek ben. Totnogtoe heb ik niet het idee dat de ijzige kou van cyberspace door mijn vriendenkring waait, noch dat mijn Facebook- en Twitter-correspondenten emotioneel afgevlakte Internetverslaafden zijn.  Waakzaamheid blijft echter geboden, vrienden! (En kennissen, en contacten, en volgers.) En houdt ook deze disclaimer in gedachten: Mijn werkgever is een aardige welriekende man die een respectvolle afstand bewaart ten opzichte van zijn collega’s m/v.

Morilje & Fléau

19/03/2010

In mijn eeuwige strijd tegen De Zooi heb ik in januari van dit jaar iets nieuws verzonnen, misschien geïnspireerd door mijn dagelijkse werk. De nederlandse site die heel gevat www.boekwinkeltjes.nl heet, biedt namelijk precies dat: een virtueel boekwinkeltje, een soort gespecialiseerde www.Marktplaats.nl. Ik heb mij over een aantal barrières heengezet en heb daar een dertigtal boeken op gestald. Waarom niet op Marktplaats? Ik weet het niet precies. (Snobisme comes to mind.) Waarschijnlijk vooral omdat ik hier niet al te veel moeite in wil stoppen, het moet wel leuk blijven.

Intussen wil ik wel van deze boeken af, omdat ik ze gewoon niet meer wil hebben, of omdat ze gesneuveld zijn bij mijn toepassing van de eén-in-eén-uit-regel, of omdat ik een mooiere uitgave wil kopen (de eén-uit-eén-in-regel, gni), of omdat vriendin A. of vriend C. een boek kwijt wilde. Ten tweede heb ik besloten om deze boeken op deze manier weg te doen, omdat dit geen troep is, maar ook geen echt mooie boeken. (Ik  doel hier natuurlijk niet op de inhoud die interessant is en in een enkel geval poignant, maar op de uitvoering.) Echte troep breng ik liever meteen naar de Kringloopwinkel, waar iemand er twee kwartjes voor zal geven en ik er niet meer over na hoef te denken. Redelijke boeken die er redelijk uitzien, maar waar er zoveel van in omloop zijn dat de Slegte ze ook niet meer wil, daar is op zich nog wel een euro of drie, vier voor te krijgen, bedacht ik. Ik noem maar wat: Yvonne Kroonenberg, Het zit op de bank en het zapt; Aart van der Leeuw, de Kleine Rudolf, M. Vasalis, Parken en Woestijnen, M. Dorfman, Fit en gezond met Pooh en zijn Vrienden; het slaat commercieël genomen geen deuk in een pakje boter. Maar aangezien mijn oorspronkelijke verwachting was dat ik ze gratis weg zou geven, is elke euro die ik er voor kan krijgen winst. (Of in elk geval omzet.)

Maar, vraagt Marcel mij met een vieze grijns, in welk opzicht helpt dit in de strijd tegen De Zooi? Boeken verplaatsen naar een doos op de piano en wachten tot ik ze kwijtraak is niet echt opruimen, wel? Nee, dat is waar. Maar tegen de tijd dat ik dat bedacht had was de hitte van het experiment al over me gekomen. Om mezelf gerust te stellen (en Marcels grijns van zijn gezicht te timmeren) heb ik mezelf beloofd dat ik in januari van komend jaar minstens 15 boeken verkocht moet hebben, anders sluit ik de winkel en breng ik ze alsnog naar Terre des Hommes. Of dat verstandig is, betwijfel ik. Het antiquariaat vereist namelijk afgezien van kennis, fingerspitzengefühl en eigen geld, ook geduld. Veel geduld. Omdat de boekverkoper gekke Henkie niet is brengt hij een catalogus uit en zet hij zijn boeken op Internet en doet hij mailings en belt hij specifieke klanten vanwege een specifiek boek, hij gaat eens naar een beurs of een markt, en hij zet zijn boeken nog maar een keer op Internet en later nog een keer, en dan heeft hij ze in zes of zeven etalages gezet waarvan twee fysiek; en vanaf dat moment is het actief afwachten. Voor mijn bijna-trash geldt dat net zozeer als voor de in marokijnleer gebonden set Brieven van Casanova in de zeer gelimiteerde ongedateerde uitgave met de curious illustrations en de Bookplate of the 14th Marquess of Thingummy-on-the-Marsh (de viespeuk).

Dus. Hoe groot is de kans dat ik mijn doel bereik, en in januari 2011 15 boeken verkocht heb?
Ik heb een abonnement voor 50 boeken, en in januari 2010 heb ik er 30 op het Net gezet. Het is nu maart en ik heb er vier verkocht. Dat wil zeggen dat ik er nog 11 moet verkopen; gesteld dat eén per maand zo’n beetje het gemiddelde blijft, moet dat op zich wel lukken.
Anderzijds kwam mij een paar weken geleden ter ore dat van het aanbod van boekwinkeltjes.nl per jaar 10% wordt verkocht, en dat 20% van het aanbod van de individuele aanbieders uiteindelijk een keer verkocht wordt; wat betekent dat ik al meer dan mijn quotum verkocht heb en dat ik er niet op moet rekenen  meer dan zes units te verkopen, in elk geval met mijn huidige voorraad.  En als ik er daadwerkelijk 15 verkoop, heb ik er in januari 2011 dus nog minstens 15 in de Ether staan (mijn eén-in-eén-uit-stapel wordt waarschijnlijk niet kleiner). Of ik daar dan nog een jaar aan wil spenderen weet ik nog niet; dit was tenslotte begonnen als een opruimende maatregel voordat ik  begon te kerken in de tempel van Mammon .

De vraag die hier over de wateren zweeft is Is het de moeite wel? Ik stel het antwoord even uit tot januari 2011. Op dit moment ga ik elke keer dat iemand een van mijn pockets wil hebben gloeien van pret: niet omdat ik niet gewend ben om boeken te verkopen, maar omdat ik niet gewend ben dit soort boeken te verkopen. In tegenstelling tot op mijn werk ga ik geen mailings en acquisitie en Internet-gremia en andere commerciële toestanden plegen; het moet wel leuk blijven. (Disclaimer: op mijn werk vind ik het waanzinnig leuk, maar na zessen ga ik liever met Naomi spelen en bloggen. So sue me.) In augustus volgt de update van deze post, en in januari 2011 de definitieve uitkomst van het experiment. Als het goed is ben ik dan € 65,- rijker; als het slecht is dan krijgt de Terre des Hommes een heleboel oud papier. Eh, ik bedoel natuurlijk: redelijke boeken die er redelijk uitzien maar waar er meer van zijn gedrukt dan het karma van de uitgever kan verdragen.

Museale liefde

25/01/2010

Ik hou van musea, en ik hou ervan om met Marcel naar musea te gaan. Voordat Naomi geboren werd was naar musea gaan onze belangrijkste activiteit op vakanties. We gingen naar binnen om een uur of tien ‘s ochtends, we zwierven rond tot we neervielen en we kwamen pas weer naar buiten als de dame van de intercom voor de allerallerlaatste keer omriep dat ze nu echt echt gingen sluiten, en strategische deuren werden gesloten zodat de laatste drie man en een paardenkop m/v alleen nog maar in de richting van de uitgang konden lopen.

Marcel bepaalt vantevoren wat hij wil zien;  maar als we eenmaal binnen zijn dan begint hij vooraan en loopt hij door tot hij bij het einde is. Vroeger ergerde ik me wel eens omdat  ik dacht dat hij rucksichtlos door al die schoonheid heen galloppeerde, totdat ik erachter kwam dat hij gewoon goed kan kijken, en ook bij een behoorlijke snelheid  zeer goed in staat is om op te nemen wat belangrijk is. Zo is Marcel, hij is relaxed maar hij mist niks. ( Dat is waarschijnlijk omdat er Oriëntaals flegma door hem vloeit. Volgens mijn moeder dan.) Hier in huis is hij degene die kunstboeken koopt, en ze leest, en de verbindingen maakt tussen het ene boek en het andere en het schilderij aan de muur. ( Wat hij ook doet is (onder andere…) kunstdocumentaires opnemen, en ze dan opzetten terwijl ik me opmaak om een blog te schrijven of mijn nagels te knippen, waardoor ik minuten lang met open mond aan het kijken ben voordat ik tot mezelf kom. Het effect is hier al eerder beschreven.) Hij is degene met de systematische aanpak, terwijl ik feiten en verbanden en roddels en weetjes opneem als ze zich voordoen.

Ik loop een stuk langzamer door een museum dan Marcel. Mijn hoofd en mijn hart zijn een stuk sneller vol dan die van hem, en ik heb op gegeven moment besloten dat ik niet alles kan zien, en dat ik daarom wat ik zie maar goed moet zien. Ik loop graag een zaal binnen, kijk rond (een enkele keer draai ik onwillekeurig een pirouetje), en ga dan kijken naar iets wat me opvalt. Ik probeer er echt goed voor te gaan staan,  echt te zien waar het over gaat, te horen wat het me vertelt. Ik heb jaren geleden het essay Art Objects van Jeanette Winterson gelezen, waarin ze terloops een aantal vragen benoemd die je kunt stellen aan of over een schilderij. Als ik een schilderij moeilijk vind, of stug in de omgang, dan drijven die vragen altijd naar de oppervlakte, en ga ik ze stellen. Vaak vind ik de antwoorden maar niks, maar dat is relatief onbelangrijk. De aandacht voor het schilderij is uiteindelijk het belangrijkste. Het valt me op dat schilderijen die ik op deze manier probeer te zien me beter bijblijven dan schilderijen waar makkelijker naar te kijken is, maar ook makkelijker aan voorbij te lopen.

Er zijn nog twee dingen die ik leuk vind aan musea. De een is de audiotour. Echt waar. Meestal nemen we er een, en ik zal altijd in mijn aantekeningenboekje noteren of hij goed is of niet. Heel vaak is het niks, een samenvatting van het informatiebordje bij het schilderij; en soms is het een demonstratie van hoeveel wazige arty-farty onzin een mens samen kan pakken in de tijdsspanne van twee minuten (de blauwe klodders symboliseren lichtheid, terwijl de donkerrode vooruitwijzen naar de Russische Revolutie van 1917…). Woody Allen kan het ook, maar dan is het nog grappig. Zo’n audiotour is vervelend en ergerlijk; waarom zou ik een audiotour nemen als ik er niks van kan leren? Maar soms is de audiotour wel goed, en vertelt het je in diezelfde tijdsspanne van twee minuten alles wat je hoeft te weten over de kunstenaar, het werk, de sociale context en de artistieke context- en dan valt het geblaat over blauwe en donkerrode klodders ineens op zijn plek. Een goede audiotouren is als een goede leraar; voor nu weet je genoeg maar je kunt niet wachten tot je thuis meer informatie op kunt gaan zoeken. Zulke audiotours (en zulke leraren) zijn schaars.

Het andere dat ik leuk vind aan musea zijn de cafetarias. De lunchrooms. De coffee corners. De oase waar je even kunt rusten, het kopje koffie of het glas jus d’orange waarbij je even rustig kunt zitten nazoemen over wat je net gezien hebt. Ze zijn er in allerlei soorten en maten en ze zeggen van alles over het museum, en over wat het museum van zijn bezoekers wil.  Museumcafetaria’s waar je op de de tocht zit, museumcafetarias die je niet kunt vinden tenzij je Oezbeeks leest en langs de panter durft te abseilen, museumcafetarias waar je drie kwartier wacht op een kopje waterig bocht, museumcafetarias waar je comfortabel zit met een fraai uitzicht over een mooie tuin met een fijne feng-shui-fontijn, museumcafetarias die mooier zijn dan het museum… Ze zijn allemaal boeiend, en ik ga er nu niet over uitweiden, want dat ga ik elders uitgebreider doen. Heel erg uitgebreid.

Ik hou van musea. En ik hou heel erg veel van museumcafetarias.

Terwijl ik dit schrijf zit ReinieR aan tafel met de laptop, hij spreekt hem bemoedigend toe en hoopt van hem gedaan te krijgen dat hij mij voortaan ook draadloos Internet biedt. Ik hoop dat het ReinieR lukt, want het zou het schrijven van dit blog vergemakkelijken, en de hoeveelheid snoeren in mijn leven verminderen. Het zou ook een laatste stap zijn in de aanpassing van mijn huishouden aan de eenentwintigste eeuw.

Ik heb al jaren een Internetaansluiting, alleen had ik heel lang geen computer die aan te sluiten was op mijn modem. Niet zo handig allemaal, maar dat is niet het punt dat ik wil maken. Ik was namelijk niet ongelukkig. (En Marcel al helemaal niet, maar dat is weer een ander verhaal.) Ik mailde op mijn werk (Slecht, slecht!! Stoute Anna!!) en als ik eens echt een Hele Lange Tijd op Internet moest zitten voor het een of ander, dan ging ik naar de kopieerwinkel. Toen ik vorig jaar met zwangerschapsverlof was en ineens alle tijd van de wereld had, en geen compu om op te Internetten, ging ik eens in de drie dagen even langs bij de Printer, om een kwartier à 20 minuten aan mijn correspondentie te besteden, en dan waggelde ik weer naar huis. Ik zie nu een aantal gezichten van efficiënte vrienden voor me, en hun afschuw van deze beschrijving spreekt welluidend tot mij; maar, ik wil het nog een keer herhalen, ik was niet ongelukkig met de bovenstaande gang van zaken.

Nu heb ik dus een Internetaansluiting, en een computer waarop die aansluiting ook te gebruiken is, en, als ReinieR klaar is, ook overal in huis de mogelijkheid tot Internet. En ik heb nog steeds wat te zeiken. Niet dat ik ongelukkig  geworden ben van Internet. Maar het knaagt toch aan me dat ik me voor mijn financiële dienstverlening, en  mijn kennis van de wereld, afhankelijk maak van een medium dat ik niet echt goed begrijp. Van een medium ook, waarin het zeer lastig is om mijn privacy te bewaren; en dat bovendien zorgt dat ik ( toch al niet echt beweeglijk) stukken minder vaak van mijn kont afkom.

Ondanks dat ik erg goed nadenk over waar ik mijn gegevens achterlaat, is er allerlei van en over mij verspreid over het Internet. Niet mijn pincode en niet de sleutel van mijn huis, maar toch. Ik heb wel eens een vlucht geboekt en de creditcard van Marcel gebruikt. Ik heb op allerhande blogs mijn e-mailadres achtergelaten, het wordt niet getoond maar het is Out There. Ik heb begrepen dat dertienjarigen moeite hebben met begrijpen wat het betekent dat alles wat ze op Internet zetten door iedereen gelezen kan worden. Van wie je houdt, wie je haat, hoe slecht je bent in wiskunde, iedereen kan het lezen. Ja maar het mag niet, het was alleen bedoeld voor NickyGirl1995. Ja maar het staat  nu toch op Hyves, en iedereen kan het lezen.

In een interview met Barbara Stok las ik, dat ze RSI-verschijnselen heeft, en om zichzelf in bescherming te nemen haar Internet-aansluiting heeft opgezegd. Zeeën van tijd heeft ze nu, zei ze. Dat is wat mensen die hun TV wegdoen zeggen; Zeeën van tijd heb je, die je kunt besteden aan iets anders dan op je kont naar een scherm staren. ( Je kunt op je kont gaan zitten lezen, of op je kont gaan zitten breien…) Dit was de eerste keer dat ik iemand las die heur Internetverbinding weg had gedaan en daarover sprak in dezelfde termen van bevrijding en rust.  Als het gaat om timesuck is het Internet wel vergelijkbaar met televisie, en als het gaat verslavingsgevoeligheid ook. Daar staat tegenover dat de informatie en het amusement die je via Internet verkrijgt op minder passieve wijze wordt verkregen dan via de televisie (een systeem als Tivo daargelaten).

En hoe verhouden mijn kritische opmerkingen zich tot het feit dat ik op 12 augustus van dit jaar besloten heb te gaan bloggen? Als er eén activiteit is waarbij je je hele hebben en houden (en dat van anderen) op het Internet zet, dan is het bloggen. Als er eén activiteit is die maakt dat je tijd achter het scherm en op je kont doorbrengt dan is het bloggen. Ik weet het nog niet helemaal. Ik wil nogmaals benadrukken dat ik Internet leuk vind, en dat ik niet ongelukkig ben geworden van de aanwezigheid van Internet in huis. Maar het is voor mij ook geen vanzelfsprekende aanwezigheid, en zolang als menselijke wezens niet worden geboren met een USB-portal in hun ruggegraat loont het de moeite om na te denken over wat Internet precies betekent.  Dat is wat ik nu probeer te doen, alleen ben ik nog maar net begonnen de grootste gemene delers te benoemen. Het Internet is te groot om het in eén blogje van duizend woorden te vatten; wordt vervolgd.

ReinieR maakt een tevreden geluid! Ik heb draadloos Internet! Ik kan met mijn laptop gaan en staan waar ik wil! Hoe heb je het nou opgelost? vraag ik. Oh, eh, zegt ReinieR,  ik heb de [technobabble] opdracht gegeven zich te [technobabble], zodat je [technobabble] nu aangepast is- ja het is ook helemaal niet interessant. Als het maar werkt.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.