Naomi is na een uur huilen niet te bedaren, dus ik neem haar op schoot om haar te troosten.

“ Hm?” vraagt ze.

“ Ik versta je niet Toep,” zeg ik, rancuneus.

“ Hm?”

We zitten stilletjes met zijn tweeën op de commode. Ik vind het niet leuk, het is minstens 3 uur ’s nachts maar ik heb speciaal niet op de klok gekeken om niet gedeprimeerd te raken, ik wil naar bed-

“ Hm?” vraagt Naomi.

“ Ik weet het niet Toep,” geef ik toe.

- maar het is ook fijn om dat kleine lijfje in die grote slaapzak tegen me aan te hebben, dat kleine meisje dat al bijna te groot is voor de commode en dat steeds minder vaak gewoon lekker op schoot komt zitten.

“ Hm?” vraagt Naomi maar nu heeft ze het door, ze neemt de speen uit haar mond en zegt: “ Bal.”

“ Ik weet niet waar jij in dit donker een bal ziet, lieverd,” zeg ik.

Naomi wappert met haar arm in de richting van het raam.

“ Towtow?” zegt ze. Het klinkt als een vraag maar het is een opmerking, want inderdaad, buiten rijdt een auto voorbij.

“ Nachtbrakers,” zeg ik, “ ja Toep, het is een auto. Waarom ze niet gewoon in hun bed liggen -”

“ Towtow,” zegt Naomi, “ bal? Towtow.”

“ Ja lieverd,” zeg ik, “ een auto, met wielen.”

“ Bal,” zegt Naomi, ze stopt haar speen in haar mond en leunt tevreden tegen me aan. Tot er weer een auto langskomt.

“ Towtow?”

Lieve kleine Naomi-Toep, ik vind het prachtig dat je leert praten. Je blijkt een stuk meer te begrijpen dan we dachten, en je elke dag leer je nieuwe dingen en begrippen bij naam kennen. Het is fantastisch, hoe je het afgelopen jaar van een hulpeloos klompje lusten langzaam een mensje bent geworden met duidelijke voorkeuren en een heuse actieve woordenschat van 15 woorden. Jouw ontwikkeling gadeslaan is echt heel erg tof- maar waarom moet dat om drie uur ’s nachts?

“ Towtow? Bal.”

Ja, lieverd. Een auto. Met wielen.

The Tjomp-stomp

06/02/2010

Het zal de volle maan zijn, of de aardstraal die door het hoofdeinde van haar bedje loopt, of misschien het hoge drukgebied dat aan komt drijven vanaf IJsland, maar kleine Naomi is de afgelopen nachten vreselijk aan het spoken. Vanaf een uur of 03.00 ligt, zit en staat ze te jammeren alsof Marcel en ik zonder haar te waarschuwen zijn geëmigreerd naar Australië. Dat zijn we niet, en we horen haar akelig goed. Het gaat ongeveer zo:

N: Waaah. (sabbelt aan speen:) tjomp tjomp tjomp, waahaaa. Waaaa. Waa-haaa. Tjomp tjomp tjomp. [He, hallo!] Waaa-haaa!!

Ik: (Schrik wakker) Hn? Hn? Hn?

M: Hrnnnnnmmm.

N: Tjomp tjomp tjomp Waaa! Tjomp Waahhaaa! Tjomp tjomp tjomp tjomp WA- HA- HAAA!

Ik: Oh jee daar gaan we weer.

M: (probeert in mijn kont te knijpen) Hm? Oh, ja, Toeps. Rnfll.

Ik: Wat kan er nou met ‘r zijn??

M: Rnfll.

N: Waaa! Tjomp. Waaa! Tjomp tjomp- Mamamamamamamama!

Ik: Ze kan het niet koud hebben met die slaapzak met mouwen, toch? En ze heeft na het eten twee bakjes yoghurt en zowat een kilo mandarijnen gehad, dus trek heeft ze ook niet-

N: WAAmamamamajajajajajajaj-

-POK-

Ik: – en daar valt haar speen op de grond dus dat kon het ook niet wezen- ja nu wel natuurlijk.

M: Ruffflmhmm.

N: Waahhh!

Ik: Wat zou er nou aan de hand zijn? Waarom slaapt ze niet gewoon?? Wat is haar punt eigenlijk???

N: Waaah! Waaah! [Ik hoor jullie wel praten! waarom mag ik niet meedoen?!?] Waaah!

M: Hrm… ik weet niet. (Staat op, loopt naar het toepenkamertje en geeft N. haar speen terug. Stilte daalt weer neer, M. kruipt weer in bed, knijpt in mijn kont en snurkt verder.)

N: Tjomp tjomp tjomp.

M: Grrrrnflhmmm.

Ik: (klaarwakker) Maar wat kan er nou aan de hand zijn?

In april 2009 heb ik op de besloten Bontekoe.ning ( beter bekend als de Koeclub) een blogpost geschreven over Het Verhaal waar ik intussen al tien jaar mee bezig ben, en de contorsies die dat verhaal en ik zoal hebben gemaakt.  Gedicht wordt verhaal, verhaal dijt uit en krimpt dan weer, en wordt vervolgens bijna volledig geamputeerd waarna er uit de ene flashback een heel nieuw verhaal ontstaat. Gekwelde mensen die gaandeweg te rusten zijn gelegd, bizarre situaties die helaas moesten kennismaken met de delete-knop (wel eens geprobeerd om met droge ogen iemand van het dak van het Ziekenhuis-nu-studentenhuis aan de Hooigracht te laten springen?) en de hoeveelheden tijd die ik aan allerlei doodlopende wegen besteedde voordat ik de stekker eruittrok en maar weer een avond ging zitten simmen op de bank met Harry Potter -

Ik geloof dat ik nu op zou moeten schrijven dat ik er niet meer aan wil denken. Soms klopt dat. Op pre-menstruele dagen (en anders wel op post-menstruele) wens ik alleen maar te zien wat voor een zooitje onaffe shit er overschiet van mijn oprechte, maar ongefocuste literaire ambitie. Aan de andere kant ben ik over het algemeen een redelijk goedgemutst persoon die niet al te veel last heeft van menstruele ongein, en op een dag als vandaag, als het zulk helder weer is en er zit wat vorst in de lucht, wat het zicht zeer bevorderd, op een mooie dag als vandaag dus, zie ik de lol wel in van tien jaar pielen aan een verhaal. Op een dag als vandaag wil ik graag denken aan wat ik in m’n werk heb gestopt, nog los van wat eruit komt.

[Ik las hier even een pauze in voor degenen die Echt Helemaal Niks Hebben met Vage Spirituele Shit. Kijk hier maar even naar terwijl ik orakelend kakel over Hogere Dingen.]

Door de jaren heen ben ik dat geschrijf steeds minder gaan zien als iets wat groots & meeslepend moet of anders helemaal niet. Ik zie het als mijn practice; yogi’s yoga-en, zangers doen inzingoefeningen, en ik schrijf. Ik was al onderweg naar zo’n interpretatie maar toen las ik het boek van Nathalie Goldman, Writing Down the Bones, en toen was het zo ver. Ik had een nieuwe religie, of eigenlijk een discipline, in de religieuze zin.

[Kom maar weer terug!]

De reden dat ik hierover schrijf is mijn goede voornemen over het ein-de-lijk afmaken van een aantal verhalen. Ik besefte laatst ineens dat dat voornemen niet helemaal uit de lucht komt vallen. Ik heb in 2009 namelijk ein-de-lijk een aantal dingen afgemaakt, en ze zien er helemaal niet meer uit zoals ze ooit begonnen zijn. Ik had het kunnen weten, na negen jaar pielen aan een verhaal dat nog steeds niet af is; maar de ervaring slaat je graag voor het hoofd met een hamer die zo enorm is dat je hem niet eens aan ziet komen. Waarlijk, ik heb ooit, in een vlaag van adoratie voor Christopher Logue’s Ilias-bewerking, een complete gedichtencyclus over Medea gepland, echt met een spanningsboog en verschillende oogpunten en allerlei personages die in de ik-vorm hun roerselen uitroerselden op een klassieke, maar toch heel moderne wijze- Die hele kolkende massa heeft uiteindelijk (maar god weet hoe definitief) zijn beslag gevonden in een verhaal van 700 woorden met circa vier regels dialoog en bijna geen actie. En de bewerking van het Danaïden-verhaal dat ik in gedachten had, compleet met regieaanwijzingen & volledige planning van de video-achtergrond (natte bruidsjurken, gevlekte schoenen en roestige olievaten) is uiteindelijk teruggebracht tot anderhalf handgeschreven A4; de scène waar ik mee begonnen was.

Wat vertelt dit ons, Socrates? Het vertelt hoe ik geleerd heb om beter te luisteren naar wat ik schrijf. Als een mooi klein verhaal zo mooi is, en zo klein; waarom zou ik haar stem negeren en er gelijk maar een roman van proberen te brouwen? Tegen de stroop inroeien is vermoeiend, en de persoonlijkheid van een verhaal ontkennen is beledigend voor verhaal en verteller.  En het ergste is dat ik, tijdens het kloten en pielen, ergens op een heel erg basaal niveau wel wist wat ik aan het doen was. Dat brengt me bij mijn sub-voornemen:  ik zal de rest van mijn schrijvende leven beter luisteren naar mijn lichaam, Elizabeth George indachtig: your body tells you all you need to know.

Mijn verhaal, dat ene waar ik negen jaar geleden mee begon, is dat dan eindelijk af? Nou, nee, hoewel ik een idee heb wat het wel af zou kunnen maken: indikken wat pit nodig heeft, en afknijpen wat al te lang aan het doorlopen is.  Maar het is okee, het komt goed. Als het niet afkomt dan heb ik weer stof voor de komende tien jaar. Het houdt me van de straat en uit de kroeg, en (Jomanda-alert!) met mijn voeten stevig op mijn hoogspersoonlijke spirituele pad. Shanti shanti shanti, zou T.S. Eliot zeggen (en anders Madonna wel).

¶ Al twee dagen hangt er een maan in de lucht die haar uiterste best doet om het occulte in me omhoog te halen. Ik kan een aantal minuten van de maan genieten omdat het de maan is, groot en wit en helder en kalmpjes bezig met de wereld verlichten zoals ze dat ook deed toen de wereld bevolkt werd door varens en reptielen. Het gaat mis als ik er over na ga denken, over dat witte hemellicht, dat zoveel mooier is dan lantarenpalen, en hoe lang het er al hangt; dan komt vanuit mijn achterhoofd alle fantasy, poëzie en mythologie die ik ooit gelezen heb als mist omhoog.

Een witte maan vraagt om keltische odes door bleke dichters, rondedansen van witgeklede priesteressen met lang loshangend haar en gevaarlijke ogen, en maagdenoffers. Een gele maan vraagt om Afrikaanse trommen, stonede zieners en voodoorituelen met gesnelde koppen en wassen poppetjes en naalden en WELJA JOH !! Het is de maan waar ik het hier over heb, potjandosie. Hij was gisteren groot en wit, en is vandaag, zondag, groot en geel, en zowel vandaag als gisteren was hij zo mooi dat mijn hart er van zou kunnen breken.  Ook als ik de bovennatuur er buiten laat; ook als ik mijn interne op hol draaiende zoekmachine uitzet.

¶ Nu ik toch ineens zo wired ben, dat ik me bijna kan invoelen in het intrigerende nummer Machine van Regina Spektor, kan ik net zo goed mijn wiredness gebruiken voor meer welbevinden dan alleen mijn eigen, bedacht ik laatst ineens. Een nieuwe instelling op Ralloblog, dus: De Liefdadigheid van Het Jaar. En omdat we het jaar niet alleen deugdzaam willen eindigen, en de hypocrisie van alleen maar doneren met Kerst ons ergert,  vindt deze actie plaats in het voorjaar. Zeg maar Nu.

Op Acht Maart is het bovendien Internationale Vrouwendag.  Eigenlijk is elke dag vrouwendag, en mannendag ook  (en dan hebben we het niet eens over Kinderdag en Hoogleraren Antropologie met Klitterig Anushaar-dag); maar Acht Maart is as good a day as any om stil te staan bij onze zusters die in meer nood zijn dan wijzelve. Zoals elk jaar voert Mama Cash  van december tot maart haar Campagne 88 Dagen, en dit jaar wil ik bijdragen.

Vanaf het moment dat ik deze post plaats, op maandag 1 februari 2010, tot aan 7 maart van dit jaar zal ik voor elk commentaar van jullie, dat bestaat uit minstens eén zin die daadwerkelijk een zin genoemd kan worden ( met een onderwerp en een gezegde en zo mogelijk ook een lijdend voorwerp &zo ) 50 eurocenten doneren aan het goede doel. Tot aan 20 euro  zal ik het hele bedrag verdubbelen, daarboven kijk ik wel wanneer ik het overdreven vind. Met andere woorden: als je een zinnig commentaar achterlaat, dan maak je mij blij. Laat je überhaupt een commentaar achter dan draag je bij aan het blij maken van vele vrouwen overal ter wereld;  en waar vrouwen blij zijn, worden mannen ook blij. (Andersom is dat geen gegeven, maar dat is een ander verhaal.)

Waarom Mama Cash? Omdat Mama Cash bijdraagt aan de zelfstandigheid van vrouwen. Vrouwengroepen die vanwege hun akelige perverse en subversieve doelen (bijvoorbeeld verkrachting strafbaar, homoseksualiteit bespreekbaar of abortus bereikbaar maken, of zorgen dat meisjes en vrouwen in alle waardigheid (huiver!)  een inkomen kunnen verwerven) weinig of geen steun krijgen kunnen een bijdrage krijgen, maar ook bedrijven die geen lening kunnen krijgen vanwege de vrouwigheid van hun eigenaar. Op deze manier heeft menige groep in verre oorden zich een een computer of een telefoonlijn kunnen veroorloven, en hebben vele vrouwen hun eigen bedrijf op kunnen zetten.

Loffelijk, niet? Leest dit niet als iets wat je zelf ook wilt steunen?  Schrijf dan eerst een commentaar, en kijk dan op www.mamacash.nl; en schrijf daarna nog een commentaar. Hier, op Ralloblog natuurlijk.

Hij zelf zou wel ergens een snedige quote van Seneca of Lao Tze vandaan gehaald hebben, maar ik kan zo snel niet iets verzinnen over de dood. Zijn eigen werk zat er vol mee, quotes en dood; en nou is hij zelf dood. J.D. Salinger.

Ik heb vorig jaar Franny and Zooey weer eens gelezen, en Raise High the Roofbeam Carpenters en Seymour, an Introduction er gelijk achteraan, want dat doet Salinger met me. Franny daar kan ik nog steeds niet zo goed tegen, maar Zooey pakte me weer. Het is precies wat het belooft te zijn; een goedgeschreven soap-opera met een leading man en twee leading ladies. Het hele verhaal speelt zich af in een apartement in New York, waar Franny op de bank ligt met een zenuwinzinking en Zooey in bad ligt met een brief en een sigaar. Zooey komt uiteindelijk uit bad en Franny komt uiteindelijk van de bank af, en in de tussentijd wordt er vooral veel gepraat, door Zooey tegen zijn moeder Bessie, door Bessie tegen Franny en door Zooey tegen Franny. Ze praten wat af, in dat appartement, over Boeddha en Jezus Christus, over Epiktetus en Emily Dickinson, katholieke psychiaters en boeddhistische dierenartsen; en over nepheid. De nepheid van wereldse en spirituele begeerte, de nepheid van het Nachleben van  Sint Franciscus en van de televisiewereld waar Zooey in werkt. En de echtheid van een echte roeping, daar praten ze ook over.

Er gebeurt maar weinig in deze verhalen. Mensen zitten in een auto en praten, ze lopen door een huis en ze praten. Ze zeggen ook van alles niet, ze gebaren en ze kijken en Salinger wil graag kwijt hoe ze allemaal, stuk voor stuk onze compassie waard zijn. Heerlijke gedoemde neurotische exemplaren van Iers-Joodse New Yorkers zijn het, die allemaal precies weten wat er phony is, maar moeite hebben met bepalen wat er echt is. Behalve Seymour. Oh, Seymour Glass. Iedereen houdt van Seymour, behalve zijn schoonmoeder. Iedereen praat altijd over hem, iedereen mist hem. En hij is dood, Seymour, hij heeft zichzelf op een perfecte dag vermoord. Seymour kan compassie opbrengen voor iedereen, tot aan zijn schoonmoeder aan toe; Seymour is een kruising tussen Boddhisattva en Glenn Gould. Je hoort hem niet vaak praten en meestal is het een citaat, want  Seymour is dood, misschien al veel langer dan zijn familie denkt; zijn vrouw en zijn familieleden (zeven stuks in totaal) leven door en draaien hun gekwelde kringetjes om de afwezigheid van Seymour de echtgenoot, Seymour de dichter,  Seymour de ziener, Seymour de zoon en de broer.  En allemaal hebben ze hem nodig.

Marcel bladert door mijn stapeltje Salingers. Hij geeft me een stuk chocola aan.

Waarom heeft Seymour zelfmoord gepleegd? vraagt hij. Heeft iemand in Salingers familie zelfmoord gepleegd?

Dat weet ik niet, zeg ik.

Ja maar zit er echt geen kern van waarheid in, die grote familie met al die wonderkinderen,   zit er niet iets autobiografisch in?

Ik weet het niet, zeg ik, als ik eerlijk moet zijn denk ik van niet, maar ik wil het eigenlijk helemaal niet weten. Is het relevant wie er allemaal zelfmoord gepleegd heeft? Misschien was Salinger enig kind en waren al die Glass-kinderen zijn imaginary friends- het kan allemaal. ( Ik praat allang niet meer tegen Marcel. Daar doet hij gelukkig niet moeilijk over.) Maar daar gaat het niet om. Seymour is dood, zijn familie mist hem, en ik geloof dat. Misschien ben ik wel nieuwsgierig naar Salingers leven, maar om dit werk mooi te vinden hoef ik verder niks te weten, toch?

Nou ja, zegt Marcel, en geeft me nog een stuk chocola, zelf dacht hij daar ook zo over dus daar zit wel wat in.

Ik ben nooit zo dol geweest op The Catcher in the Rye, ik zou niet eens goed kunnen zeggen waarom. Dit gedeelte van Salingers werk daarentegen is in me gaan zitten. Niet heel nadrukkelijk.  Maar als er in wat ik schrijf soms ineens iemand zittend, bijvoorbeeld op de vensterbank van een badkamerraam, naar buiten kijkt en door de gratie Gods de koepels van de hemel en de fundamenten van de hel weet te bespreken, wellicht in een halve zin  over een klein meisje en een hond; dan is dat wat hij me geleerd heeft. J.D. Salinger. Die zo weinig heeft gepubliceerd en zoveel heeft gezegd.

Museale liefde

25/01/2010

Ik hou van musea, en ik hou ervan om met Marcel naar musea te gaan. Voordat Naomi geboren werd was naar musea gaan onze belangrijkste activiteit op vakanties. We gingen naar binnen om een uur of tien ’s ochtends, we zwierven rond tot we neervielen en we kwamen pas weer naar buiten als de dame van de intercom voor de allerallerlaatste keer omriep dat ze nu echt echt gingen sluiten, en strategische deuren werden gesloten zodat de laatste drie man en een paardenkop m/v alleen nog maar in de richting van de uitgang konden lopen.

Marcel bepaalt vantevoren wat hij wil zien;  maar als we eenmaal binnen zijn dan begint hij vooraan en loopt hij door tot hij bij het einde is. Vroeger ergerde ik me wel eens omdat  ik dacht dat hij rucksichtlos door al die schoonheid heen galloppeerde, totdat ik erachter kwam dat hij gewoon goed kan kijken, en ook bij een behoorlijke snelheid  zeer goed in staat is om op te nemen wat belangrijk is. Zo is Marcel, hij is relaxed maar hij mist niks. ( Dat is waarschijnlijk omdat er Oriëntaals flegma door hem vloeit. Volgens mijn moeder dan.) Hier in huis is hij degene die kunstboeken koopt, en ze leest, en de verbindingen maakt tussen het ene boek en het andere en het schilderij aan de muur. ( Wat hij ook doet is (onder andere…) kunstdocumentaires opnemen, en ze dan opzetten terwijl ik me opmaak om een blog te schrijven of mijn nagels te knippen, waardoor ik minuten lang met open mond aan het kijken ben voordat ik tot mezelf kom. Het effect is hier al eerder beschreven.) Hij is degene met de systematische aanpak, terwijl ik feiten en verbanden en roddels en weetjes opneem als ze zich voordoen.

Ik loop een stuk langzamer door een museum dan Marcel. Mijn hoofd en mijn hart zijn een stuk sneller vol dan die van hem, en ik heb op gegeven moment besloten dat ik niet alles kan zien, en dat ik daarom wat ik zie maar goed moet zien. Ik loop graag een zaal binnen, kijk rond (een enkele keer draai ik onwillekeurig een pirouetje), en ga dan kijken naar iets wat me opvalt. Ik probeer er echt goed voor te gaan staan,  echt te zien waar het over gaat, te horen wat het me vertelt. Ik heb jaren geleden het essay Art Objects van Jeanette Winterson gelezen, waarin ze terloops een aantal vragen benoemd die je kunt stellen aan of over een schilderij. Als ik een schilderij moeilijk vind, of stug in de omgang, dan drijven die vragen altijd naar de oppervlakte, en ga ik ze stellen. Vaak vind ik de antwoorden maar niks, maar dat is relatief onbelangrijk. De aandacht voor het schilderij is uiteindelijk het belangrijkste. Het valt me op dat schilderijen die ik op deze manier probeer te zien me beter bijblijven dan schilderijen waar makkelijker naar te kijken is, maar ook makkelijker aan voorbij te lopen.

Er zijn nog twee dingen die ik leuk vind aan musea. De een is de audiotour. Echt waar. Meestal nemen we er een, en ik zal altijd in mijn aantekeningenboekje noteren of hij goed is of niet. Heel vaak is het niks, een samenvatting van het informatiebordje bij het schilderij; en soms is het een demonstratie van hoeveel wazige arty-farty onzin een mens samen kan pakken in de tijdsspanne van twee minuten (de blauwe klodders symboliseren lichtheid, terwijl de donkerrode vooruitwijzen naar de Russische Revolutie van 1917…). Woody Allen kan het ook, maar dan is het nog grappig. Zo’n audiotour is vervelend en ergerlijk; waarom zou ik een audiotour nemen als ik er niks van kan leren? Maar soms is de audiotour wel goed, en vertelt het je in diezelfde tijdsspanne van twee minuten alles wat je hoeft te weten over de kunstenaar, het werk, de sociale context en de artistieke context- en dan valt het geblaat over blauwe en donkerrode klodders ineens op zijn plek. Een goede audiotouren is als een goede leraar; voor nu weet je genoeg maar je kunt niet wachten tot je thuis meer informatie op kunt gaan zoeken. Zulke audiotours (en zulke leraren) zijn schaars.

Het andere dat ik leuk vind aan musea zijn de cafetarias. De lunchrooms. De coffee corners. De oase waar je even kunt rusten, het kopje koffie of het glas jus d’orange waarbij je even rustig kunt zitten nazoemen over wat je net gezien hebt. Ze zijn er in allerlei soorten en maten en ze zeggen van alles over het museum, en over wat het museum van zijn bezoekers wil.  Museumcafetaria’s waar je op de de tocht zit, museumcafetarias die je niet kunt vinden tenzij je Oezbeeks leest en langs de panter durft te abseilen, museumcafetarias waar je drie kwartier wacht op een kopje waterig bocht, museumcafetarias waar je comfortabel zit met een fraai uitzicht over een mooie tuin met een fijne feng-shui-fontijn, museumcafetarias die mooier zijn dan het museum… Ze zijn allemaal boeiend, en ik ga er nu niet over uitweiden, want dat ga ik elders uitgebreider doen. Heel erg uitgebreid.

Ik hou van musea. En ik hou heel erg veel van museumcafetarias.

Waar is Rallo mee bezig? Wat valt haar op aan de wereld? Heeft ze iets gelezen of meegemaakt waar de stoom van uit haar oren kwam? Heeft Naomi iets geniaals gedaan, maar niet zo geniaal dat er een heel blog aan hoeft te worden gewijd? Lees het allemaal in Duiven in het Nieuws!

¶ Vriend D. zit in Web 2.0, wat wederzijdse flow van internet-gebruiker naar internet-maker en viceversa behelst (onder andere); broer M. zit in de usability, wat betekent dat hij zijn stinkende best doet om op een site waar dagelijks vele gefrustreerde (en ongezonde) mensen met vragen komen, door een zo efficiënt mogelijke en gebruikersvriendelijke structuur en lay-out, de frustratie (en daarop volgende ongezondheid) tot een miniem peil te beperken. Allemaal goed karma.

Merkwaardig genoeg zorgen de bezigheden van deze mannen niet dat ik een gestroomlijnder Internet verlang, maar eerder dat ik de fysieke dingen om me heen met een beady eye ga bekijken. Van daaruit beam ik jullie up naar het koffiezetapparaat van mijn werkgever. Dig this: In plaats dat de filterhouder in een filterhouder-houder zit, die niet in aanraking komt met de koffie, en dat het geheel vast zit op zo’n manier er geen koffie aan de rest van het apparaat kan komen; zit de filterhouder ingebed in een plastic rand, waarin de koffiedrap zich verzamelt en verzamelt en verzamelt tot je er, in de woorden van mijn tante Ita, bonen zou kunnen kweken. Nee, het is niet zo erg. Maar wie maakt er in een tijd waarin we heen en weer kunnen communiceren tot er een tunnel door onze hersenen loopt, en stroomlijnen tot we er allemaal uitzien als dolfijnen, in godsnaam nog een koffiezetapparaat dat alleen schoon te maken is door het a) in handen te geven aan een ervaren schoonmaakster, bouwjaar pre-1950, b) volledig onder te dompelen in water? Slecht karma!

¶ Gezanik over schrijfmateriaal is luxe-gezanik. Als je echt echt moet kun je ook schrijven op de randen van oude kranten, met een broodmes dat gedoopt is in paardenstront. Maar dat is alleen als het echt echt moet, en daarom heb ik de laatste tijd mijn favoriete merken schrijfblokjes, Moleskine en Clairefontaine, aan een onderzoek onderworpen. Helaas, helaas, hier wint de status  het weer van het comfort. Mij is namelijk gebleken, is dat bij Clairefontaine  de afstand tussen de regels perfect is voor mijn handschrift, en die afstand blijft in de meeste modellen hetzelfde. Het papier is goed: glad genoeg voor je vulpen ( maar niet zo glad dat de inkt seconden nodig heeft om te drogen), meegaand genoeg voor je balpen ( maar niet zo meegaand dat je er in weg zinkt) en korrelig genoeg voor je potlood. Bij Moleskine daarentegen is er met het papier niks mis, maar is het probleem de lijntjes;  ze staan in de meeste handzame modellen eigenlijk te dicht op elkaar. Ik ben er aan gewend maar in momenten van grote opwinding of haast ga ik hanepoten en dan past het niet meer in die petieterige ruimte.

Wat is dan het issue? Het is toch duidelijk welk merk hier wint? Nee, oh lezer. Nee nee nee nee nee. Clairefontaine maakt namelijk zijn blokjes en schriftjes in een oubollig dessin met vakjes kleur in suffe kleuren, en meent er goed aan te doen zijn slecht aangepaste negentiende-eeuwse pseudo-Mucha-gone-very-1970-logo op de boekjes te drukken. Het ziet er niet uit. En het enige boekje in de serie dat er wel ok uitziet is weer behept met onnodige kartonnen tussenbladen, zogenaamd handig om Dingen in te Doen. Ik wil geen Dingen in mijn notitieboek Doen! Ik wil er in schrijven, nom d’un tonnere!

Nee, dan de Moleskine. Elegant. Nifty. De Apple onder de notitieboekjes; echt handig, maar ook echt een statussymbool. En natuurlijk verkrijgbaar in nuttige uitvoeringen als de Leporello, het Muziekpapier, de Reporter, en mijn geliefde veelgebruikte favoriet, Die Ene Met de Vijf Tabjes.

Oh, maakte Clairefontaine maar elegante hippe boekjes in effen, tijdloze kleuren! Dan zou ik tegen de stroom inzwemmen. Dans les circonstances hou ik het maar zo;  Clairefontaine voor de lekker en Moleskine voor de mooi en efficiënt.

Wat doe ik eigenlijk met al die schrijfboekies? Oh lieve lezer.  Stof verzamelen, letterlijk en figuurlijk. Maar dat is iets voor een ander blog.

¶ Gisteravond hing P.U. aan de telefoon. P.Wie? vroeg ik, maar Marcel haalde zijn schouders op en gaf me de hoorn. En toen wist ik het weer: die aardig klinkende man van Amnesty International aan wie ik bij mijn weten al twee keer gezegd heb dat ik niet zou gaan collecteren. Ik vind het hypocriet, wel lid zijn maar geen actie willen ondernemen; maar ik ben ook buitengewoon oprecht in mijn angst voor akelige honden die achter een deur vandaan komen en me omverwerpen terwijl hun baasje achter ze de deur uit strompelt en zegt

” Hector, af! Af!  Let maar niet op die ouwe dibbes, hij doet niks hoor!”

en mijn brein in doodsangst terug is in de Bronstijd toen mannen mannen waren, vrouwen godinnen, en honden bloeddorstige monsters.

Nee, lieve Amnesty, ik ga niet deur-aan-deur collecteren. Gelukkig heeft meneer U. iets anders voor me verzonnen. Be still my heart; met een beetje mazzel houden we ons karma voor dit jaar op peil zonder in de muil van Hector te hoeven kijken.

Ik weet niet of het is opgevallen, maar de boekbeschrijvingen die ik tot nu toe op dit blog heb geplaatst zijn allemaal geweest van boeken (of van auteurs) waar ik minstens ambigu tegenover sta. Oppervlakkig bekeken moet de verklaring zijn dat een rant meestal lekkerder schrijft dan een lovend stuk. Een iets ingewikkeldere reden kan zijn dat ik er bij  zulke ambigue boeken vaak niet meteen achter ben waarom mijn ene hersenhelft zo blij op en neer gaat stuiteren terwijl mijn andere in slaap valt, of zit te stomen van de ergernis;  en dat ik daar op dit blog zo’n beetje hardop over nadenk.

Enfin, dit brengt me bij een boek dat eind jaren ‘90 een grote indruk op me gemaakt heeft: Drawing Blood van Poppy Z. Brite. Het was toen het tweede horror-boek dat ik ooit gelezen had; het eerste was Lost Souls van dezelfde schrijfster. (Voor de liefhebber: Clive Barker zou ik daarna pas ontdekken, en dan vooral de grote romans, want voor The Books of Blood ben ik toch echt te teergevoelig.) Wat me in dit boek trok en bleef trekken tot ik het helemaal had uitgewoond, was de mengeling van de queeste en de manier waarop the puzzle of the flesh wordt onderzocht. Dit boek is twisted, maar op een voor mij leesbare manier, en dat fascineerde me mateloos.

Verhaal: Trevor Black is striptekenaar. Hij is de overlevende van een zogeheten familiedrama, waarin zijn vader zijn moeder, zijn broer en zichzelf vermoordde. Trevor is 25 geworden en reist naar Het Huis Waar De Moord Plaatsvond, om in het reine te komen met het feit dat hij als enige in leven is gelaten door zijn vader. Tegelijkertijd moet de New-Orleanse hacker Zach Bosch halsoverkop de stad verlaten omdat de politie hem op het spoor is. Ze ontmoeten elkaar in het stadje Missing Mile, North Carolina waar ze slapen in het Huis Van De Moord en ze zich, om te beginnen in relatieve onschuld, overgeven aan marihuana, koffie, seks (ja Marcel, homoseks) en paddo’s. Het Huis had hen al een aantal hints gegeven dat hier de bovennatuur aan het werk was: electriciteit en water staan gewoon aan, ondanks dat Het Huis al sinds 1972 leegstaat; een hamer materialiseert juist op het moment dat iemand in de stemming is to do some damage;  een spiegel toont een weinig flatterend beeld van degene die erin kijkt. De paddo’s echter, in combinatie met drank en wiet en Het Huis, zorgen voor een duistere achtbaan van een slechte trip, waarna catharsis geschiedt en helderheid volgt. Maar niet voordat er veel geweld heeft plaatsgevonden, onder andere met voornoemde hamer.

Het is een oud verhaal, maar wel goed gebracht; held op zoek naar kennis over zijn verleden vindt wat hij zoekt, min of meer, en krijgt ook het meisje m/v na vele bloedstollende avonturen. Die avonturen zijn in dit boek mooi gedoseerd en de weirdheid ervan wordt bijzonder handig steeds net een graadje opgevoerd. Het verhaal is doortimmerd, de ontkoping is bloederig maar humaan. Wat Brite echter het beste doet is sfeer.  De beschrijving van een zompige New Orleanse zomer en het gevoel dat het heelal een grote koude plek is maar dat er magie is op ongebruikelijke plaatsen, een trip als een kruising tussen Through the Looking-Glass en een buitengewoon noire film noir, het is onberispelijk gedaan. En de personages; jong, aantrekkelijk, a-moreel.  Ze leren de liefde kennen en oprechte seksuele extase, maar die hoogten lijken niet los te kunnen bestaan van diepten van zeer vleselijk geweld. Dit zijn beschadigde personages, dat is duidelijk, en waar de seks en de drugs een helende werking hebben, moeten ze eerst hun relatie met het geweld oplossen voordat het genezingsproces plaats kan vinden.

Dit klinkt wel cool, en dat is het ook. Wat het boek  daarentegen vermoeiend maakt, vooral bij herlezing, is het voortdurende name-droppen, het dwepen met de Amerikaanse underground en de terzijdes van de auteur, die worden neergezet als gedachten van Zach Bosch, maar die gewoon Brite’s eigen gefoeter zijn tegen de Amerikaanse samenleving.

Wat ik in de vorige paragraaf aandraag  zijn gewoon wat nadelen van de schrijfstijl van Brite. Waar zit hem dan de ambiguïteit waar ik mee begon? Wat mij betreft  vooral in de epiloog, die godlof maar vier of vijf bladzijden beslaat. Trevor en Zach zijn gelouterd door hun ervaringen in Het Huis,  ze kunnen het verleden achter zich laten; je zou denken dat ze volwassen kunnen gaan worden, niet per se burgerlijk, maar gewoon volwassen, met een gevoel van verantwoordelijkheid en zo.  Maar nee. Ze vertrekken naar een onwaarschijnlijk soort paradijs vol wiet en Madame Jeannette-pepers. Hoe lang blijft dat leuk, mensen? En hoe zal het aflopen met deze twee mooie jonge prinsen als op een dag het geld op is bijvoorbeeld, of als ze ineens geen bloedmooie, smalheupige jongens meer zijn maar volwassen mannen met een buikje en bruine tanden van de rook? Je gunt hen de idyllische epiloog van harte, maar het klinkt niet echt, het leest alsof Brite niet wist wat ze moest en daarom deze suikertaart bakte.

Ik moet hier ook aandragen dat mijn ergernis in mijn herinnering veel groter was. Nu  ik hem herlezen heb begrijp ik weer waarom ik als een blok viel voor deze onderhoudende American Gothic semi-horror. Moeten jullie hem ook lezen? Och, ja, als het zo uitkomt. Hij is misschien het best geschikt voor degenen onder ons die er in de vakantie nog wel eens een fantasy-trilogie doorheenjassen. Nota bene; je moet wel tegen bloed kunnen, en tegen een spooky sfeertje en stomende seksscenes tussen mooie jongens. Maar als dat je ding is, is dit een heel aardig boek.

¶ Addendum: Okee- er is leven na het Aardse Paradijs.  Op haar site verzekert Poppy Z. Brite ons dat de Trevor en Zach are now settled in Amsterdam, living a boring but happy life. vol wiet en sex en kunst en Internet. Het kan erger.

Er was een tijd dat melden hoeveel videospelers je in huis had ongeveer neerkwam op een uitnodiging aan geboefte en gejunkte. Intussen heeft de videospeler in het Kosmiese Museum der Menselijke Ontdekkingen zijn plaats ingenomen tussen de camera obscura en de tondeldoos, dus ik kan met een gerust hart vertellen dat we er twee hebben, allebei van Marcel. ( Hij bezit er nog een, maar die woont nog bij Marcels moeder.)  Tevens heeft Marcel een enorme hoop videobanden. Persoonlijk huiver ik als ik bedenk hoeveel het er zouden kunnen zijn; onder het bed liggen er een aantal, minstens twee bananendozen en twee dubbelrij-ïg gevulde Billys in de bibliotheek/logeerkamer, en god weet hoeveel nog bij Marcels moeder (die niet op een flatje driehoogachter woont, zeg maar).

Kort samengevat: Marcel is een freak. Hij is een methodische freak van wie de methode is gehardwired in de negentiende eeuw. Dus houdt Marcel in een zwart multomapje bij wat er op welke video staat, wat er gestaan heeft, hoe lang het duurt, en wanneer het is opgenomen. Dit alles in een glashelder, microscopisch handschrift waar een loep bij geleverd moet worden ( en als hij sjaggereinig is een microscoop).  Maar dat is niet alles, er is ook nog een systeem met archiefkaarten, van die grote ( I swear to god, hij zou zomaar de hele Genesis kwijt kunnen op zo’n kaart, als hij maar chagereinig genoeg was), en een hele kast met boeken over films, waarvan een groot aantal naslagwerken. Het belangrijkste echter zijn de videobanden. Dat zijn er veel, sommige al heel oud. Er staat niet zomaar zooi op; Marcel heeft zijn criteria. En niet alles wat er op staat blijft er op, want Marcel lijkt  goddelijk in zijn onveranderlijkheid maar hij toont zijn menselijke wispelturigheid een paar keer per jaar; dan kijkt hij al zijn banden genadeloos na op fragmenten en films die hem niet meer boeien, zodat hij ze genadeloos over kan tapen met dingen die hem wel boeien.

Dat is nu, dus. Marcel is al een aantal weken bezig met zijn archiefkaartjes en zijn mapje, en loopt monkelend te zeulen met videobanden en naslagwerken. Eerst kijkt hij een papiertje na met de lopende staat van de band; dan steekt hij de band in de speler. De twee van BBC 2 zweeft door het scherm, een idioot jonge Stephen Fry roept iets snedigs,  een reclame voor wasmiddel flierefluit voorbij, of een intussen overleden omroeper kondigt in olijk jaren ‘80-nederlands een film aan. The Women; een film voor ongeveer 50 vrouwen en geen enkele man van ene George Cukor.

” Ga je dat kijken?” vraag ik, stuurs, achter de laptop vandaan. (Buiten een specifiek moederende context kan ik ABSOLUUT NIET multitasken; schrijven en films kijken tegelijk gaat gewoon niet. En dat weet hij, de rare oliebol! Brommend trek ik me terug achter het scherm.)

” Nee hoor,” zegt Marcel, ” alleen even kijken hoe lang hij duurt,”  en begint door te spoelen, pak m beet naar die ene scene dat Norma Shearer en haar vriendinnen allemaal in Reno zijn omdat ze allemaal tegelijk gaan scheiden. Bla bla bla, mannen deugen niet, bla. Toch geinig, Rosalind Russell  moet hier knalrooie lippenstift ophebben, alleen zie je het in zwart-wit niet zo goed. Plotseling staat Marcel op om een van onze vijf afstandsbedieningen te pakken, en spoelt hij door.

” Heeee!” zeg ik.

” Ik dacht dat je niet wilde kijken, liefje? Moet je niet schrijven?” vraagt Marcel met een grijns.

” Ja, nou…” zeg ik, en ik mompel nog iets over de onweerstaanbaarheid van bewegende beelden.

Zo gaat  dat al weken hier. Ik kom thuis van een lange werkdag en ik tref kleine Naomi aan die blokjes heen en weer laadt tussen een boterhamzakje en de blokkendoos; en Marcel die ongeschoren in een trance zit te staren naar een of andere Kung-fu film over een onoverwinnelijke jongeman en zijn net zo onoverwinnelijke moeder; of een zwijgende film over een femme fatale met een bobline en een akelig effect op de mannen om haar heen; of een zwart-wit b-film over gewelddadige mannen in een grootstedelijke context, of een documentaire over een schilderij van Botticelli, of een scene uit Othello die zich afspeelt in een sauna, of all places;  of een spannend lied over Elena Ceaucescu, of een fragment van The Hudsucker Proxy, of een paar minuten verhaalloze scene met big-haired sluts, uit een verleden waar ik liever niets van  afweet;  of een verstild maar zeer tragisch fragment van een Taiwanees plattelandsdrama, of een moment uit een depressieve Franse film (dat is Pickpocket! zegt Marcel bestraffend), of twee verschillende verfilmingen van Henry the Fifth; of een opname van een jazz-programma uit 1959 met een zeer jonge zeer boze Miles Davis;  enfin, dit zijn alleen nog maar de fragmenten. God weet wat er allemaal nog meer in dit huis ligt. Feit is, dat als ik op een dag zeg ” Gut lieverd, zullen we Crimes and Misdemeanors eens kijken?”, dat Marcel dan graai doet ergens in een bananendoos; en dat wij dan binnen vijf minuten Crimes and Misdemeanors aan het kijken zijn.

Natuurlijk, Marcel is een freak. Maar wat film betreft is hij een hartstochtelijke freak, en toevallig val ik als een blok voor intelligente hartstochtelijke freaks die veel weten over films en boeken (binnenkort begint de Leids Filmfestival Filmquiz weer; en meneer Jansen heeft ook een filmquiz these days…). Als ik zie hoe hij bezig is met zijn verzameling en zijn naslagwerken en zijn papiertjes, dan vergeef ik hem ook de minuten die ik staand voor de televisie doorbreng met mijn jas nog aan, mond open, mijn dochter hangend aan mijn been,  magnetisch aangetrokken door de avonturen van Engels nagesynchroniseerde kung-fu-ende homoseksuele Chinese operazangers.

Auld lang syne

01/01/2010

Zo-  onder invloed van een paar glazen roze champoepel volgt hier mijn eerste blog van het jaar. Binnen is binnen!

Ik heb een paar voornemens die ik niet op het Net zet, want zo analoog ben ik ook wel weer. Daarentegen heb ik een paar voornemens die ik hier ga delen zodat ik volgend jaar kan zien wat er van gekomen is. And it goes somethin’  like this:

¶ Ik wil graag meer lezers voor dit blog. Het is een pure ego-kwestie, maar a la bonne heure. Ik wil gelezen worden!

¶ Ik wil een aantal literaire dingen waar ik al jaren aan sleutel afronden. Er volgt binnenkort een blog over het jarenlang in relatieve eenzaamheid kloten aan literaire dingen, en het is niet alleen maar leed &  frustratie, godlof. Desondanks is het tijd voor wat punten op i’s en koppen op spijkers.

¶ Ik wil de zooi in huis & hoofd beperken door striktere handhaving van de eénineénuit-regel voor met name boeken, kleren en serviesgoed van allerlei kunne.

¶ Ik wil veel aan yoga doen. Yoga is fijn, en als ik het een tijd niet doe merk ik ook weer dat het goed is.

¶ Ik kan nog steeds niet tellen, maar dat zal me niet tegenhouden deze keer. Wie samenwoont met een muzikant en een piano heeft zo heur eigen manieren om muziek te studeren. Wat ik ga instuderen? Later meer, later meer…

Mijn moeder zei me zojuist:  Ik wens je dat wat je hart begeert, lieverd. Dat zei ze echt. En bij deze ook voor jullie, en voor iedereen: Ik wens je dat wat je hart begeert, mits het niet teveel schade aanricht.